In deze civiele zaak staat centraal of een overboeking van €5.599,99 door eiseres aan gedaagde een geldlening of een schenking betreft. Eiseres stelt dat het bedrag een lening was die terugbetaald moet worden, terwijl gedaagde betoogt dat het een schenking was als tegenprestatie voor kost en inwoning van eiseres’ dochter.
De rechtbank weegt de omstandigheden en past de Haviltex-maatstaf toe. Gelet op de omschrijving van de overboeking als 'oploslening' en het feit dat gedaagde het geld vroeg voor het oplossen van acute financiële problemen, concludeert de rechtbank dat sprake is van een geldlening met een terugbetalingsverplichting. Het beroep op verrekening met onderhoudskosten voor de dochter wordt afgewezen omdat hiervoor geen rechtsgrond bestaat.
De vordering van buitengerechtelijke incassokosten wordt eveneens afgewezen vanwege een onjuiste aanmaning. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van €5.599,99 met wettelijke rente en bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.