ECLI:NL:RBMNE:2025:4266

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
8 augustus 2025
Zaaknummer
C/16/594672 / FO RK 25-707
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a lid 1 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eenhoofdig gezag vader wegens instabiliteit moeder en verstoorde communicatie

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 6 augustus 2025 in zaaknummer C/16/594672 het verzoek van de vader toegewezen om het gezag over de minderjarige alleen aan hem toe te kennen. De ouders hadden gezamenlijk gezag, maar door de langdurige instabiliteit van de moeder, waaronder een terugval in drugsgebruik en een recente opname na een suïcidepoging, is er geen communicatie of samenwerking mogelijk.

De rechtbank overwoog dat het gezamenlijk gezag alleen goed kan functioneren bij minimale communicatie tussen ouders, wat hier ontbreekt en naar verwachting niet zal verbeteren. De moeder is momenteel afhankelijk van hulpverlening, waardoor zij geen zelfstandige visie kan vormen bij gezagsbeslissingen. De vader is de stabiele factor en de minderjarige woont bij hem en ontwikkelt zich goed.

De rechtbank verklaarde de beslissing uitvoerbaar bij voorraad en bepaalde dat iedere ouder zijn eigen proceskosten draagt. De moeder behoudt haar rol als moeder en de omgang met de minderjarige blijft belangrijk, maar het gezag wordt eenhoofdig aan de vader toegekend in het belang van het kind.

Uitkomst: Het eenhoofdig gezag over de minderjarige wordt toegekend aan de vader vanwege het belang van het kind en de instabiliteit van de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/594672 / FO RK 25-707
Gezag
Beschikking van 6 augustus 2025
in de zaak van:
[vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. A.G. Ouwejan,
tegen
[moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. H.S.K. Jap-A-Joe.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vader, binnengekomen op 6 juni 2025;
  • het verweerschrift van de moeder van 22 juli 2025;
  • het bericht met bijlagen van de vader van 24 juli 2025.
1.2.
Het verzoek is (gelijktijdig met de behandeling van het verzoek onder zaaknummer C/16/596145 / JE RK 25-1044) besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 25 juli 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming (hierna te noemen: de GI), vertegenwoordigd door [A]
  • de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland (hierna te noemen: de Raad), vertegenwoordigd door [B] .
1.3.
De kinderrechter heeft aan de gezinscoach van de moeder van Stap Sterk, [C] , bijzondere toegang tot de zittingszaal verleend.
1.4.
De rechtbank heeft aan [minderjarige] gevraagd wat hij van het verzoek vindt. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij zijn de ouders van:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] . [minderjarige] woont bij de vader.
2.3.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hem nemen.
2.4.
Bij beschikking van 14 februari 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 14 augustus 2026.
2.5.
De vader heeft verzocht te bepalen dat hij voortaan alleen het gezag over [minderjarige] uitoefent.
2.6.
De moeder is het niet eens met het verzoek van de vader. Zij heeft verzocht om dit verzoek af te wijzen.

3.De beoordeling

De beslissing3.1. De rechtbank beslist dat de vader voortaan alleen het gezag over [minderjarige] heeft. Dit betekent dat de vader voortaan alleen de beslissingen over [minderjarige] mag nemen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Gezag
3.2.
Op grond van artikel 1:251a lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen als zij dit in het belang van het kind noodzakelijk vindt. Dat is hier het geval. De moeder heeft haar leven al een lange tijd niet op orde. Zij heeft het afgelopen jaar een terugval in drugsgebruik gehad en is ten tijde van de zitting opgenomen bij [instelling] vanwege een suïcidepoging. Het gedrag van de moeder zorgt voor veel spanningen tussen de ouders. Er is op dit moment geen communicatie of samenwerking tussen de ouders mogelijk. In het - met behulp van de GI - door de ouders opgestelde ouderschapsplan is daarom opgenomen dat er geen direct contact plaatsvindt tussen de ouders. Voor het maken van gezamenlijke gezagsbeslissingen is daarom altijd de betrokkenheid van de jeugdbeschermer of de ambulant begeleider van de moeder nodig. De rechtbank is het met de GI eens dat het beëindigen van het gezag van de moeder geen oplossing zal bieden voor de verstoorde relatie tussen de ouders, maar dat neemt niet weg dat er voor uitoefening van het gezamenlijk gezag een minimale vorm van communicatie tussen de ouders nodig is. Die is er nu niet en er bestaat ook geen aanleiding om te veronderstellen dat dat dit in de toekomst zal veranderen omdat er sprake is van een patroon van instabiliteit bij de moeder. Dat zou betekenen dat er altijd hulpverlening nodig blijft om gezagsbeslissingen te kunnen nemen. Dat kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest. Daarom kan de vader de beslissingen beter alleen nemen. De rechtbank verwacht dat er hierdoor meer rust ontstaat. De vader is de stabiele factor in het leven van [minderjarige] en [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de vader. Bovendien is de omgang tussen de [minderjarige] en de moeder de afgelopen tijd meerdere keren opgeschort geweest. In die periodes kan de moeder geen zelfstandige visie vormen op wat in het belang van [minderjarige] is als er gezagsbeslissingen over hem genomen moeten worden.
3.3.
De moeder is bang dat zij bij beëindiging van haar gezag een minder grote rol zal spelen in het leven van [minderjarige] . De rechtbank benadrukt dat de moeder altijd de moeder van [minderjarige] zal blijven. Daarnaast heeft de vader een wettelijke plicht om de moeder te blijven informeren over de belangrijke zaken in het leven van [minderjarige] en heeft de vader tijdens de zitting benadrukt dat hij de omgang tussen de moeder en [minderjarige] erg belangrijk vindt. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat de moeder ook zonder gezag een rol zal kunnen blijven spelen in het leven van [minderjarige] , in periodes waarin zij niet in crisis verkeert.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.4.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De kosten van deze procedure
3.5.
De rechtbank zal beslissen dat iedere ouder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van de ouders in de proceskosten te veroordelen.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat het gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] vanaf nu alleen toekomt aan de vader;
4.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
bepaalt dat de ouders hun eigen proceskosten betalen.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.A.A.T. Engbers, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. R. Jelicic, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.