In deze bestuursrechtelijke procedure heeft eiser beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Laren. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 23 juni 2025 en het onderzoek daarna gesloten. Eiser verzocht om heropening, maar dit is afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat het griffierecht niet tijdig was betaald, ondanks herhaalde aanmaningen en de mogelijkheid tot betaling in termijnen. De financiële positie van eiser is onvoldoende onderbouwd om betalingsonmacht aan te nemen. Daarnaast ontbrak een toereikende machtiging om namens de onderneming op te treden, ondanks meerdere verzoeken daartoe en het overleggen van handelsregisteruittreksels zonder de vereiste ondertekende machtiging.
Ook was de identiteit van degene namens wie beroep werd ingesteld niet binnen de beroepstermijn kenbaar gemaakt, wat volgens vaste rechtspraak niet kan worden hersteld. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen. De uitspraak is gedaan door rechter I. Helmich, waarbij de rechter zelf verhinderd was de uitspraak te ondertekenen.