ECLI:NL:RBMNE:2025:4305

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juli 2025
Publicatiedatum
11 augustus 2025
Zaaknummer
UTR 22/3486
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken toereikende machtiging in belastingzaak

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft eiser namens een onderneming beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar. De rechtbank constateert dat bij het beroepschrift geen toereikende machtiging is overgelegd, terwijl eiser meerdere malen in de gelegenheid is gesteld dit te herstellen.

De rechtbank heeft eiser bij brieven op verschillende data gewezen op het ontbreken van een geldige volmacht en hem telkens een termijn gegeven om dit te corrigeren. De overgelegde machtigingen waren niet te koppelen aan de onderneming, en uit het dossier blijkt dat ook verweerder geen machtiging heeft ontvangen.

Eiser heeft tijdens de zitting aangevoerd dat de machtiging bij verweerder zou zijn overgelegd, maar dit is niet gebleken. De rechtbank acht het verzuim voldoende hersteltijd te hebben gegeven en verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke beoordeling.

Daarnaast heeft eiser een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure ingediend. De rechtbank wijst dit af omdat niet is vastgesteld dat de onderneming een procedure wilde starten en daardoor schade heeft geleden.

Tot slot wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter I. Helmich op 30 juli 2025.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een toereikende machtiging en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/3486

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2025 in de zaak tussen

mr. [eiser] , veronderstellenderwijs handelend namens [onderneming] V.O.F., eiseres,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht,verweerder,
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat mr. [eiser] (hierna: [eiser] ) heeft ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 5 april 2022.
De zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2025. [eiser] is verschenen. Namens verweerder is mr. D.J. Koopmans verschenen.
De rechtbank heeft na afloop van de zitting het onderzoek gesloten. [eiser] heeft vervolgens verzocht om heropening van het onderzoek. De rechtbank ziet in wat [eiser] aan zijn verzoek om heropening ten grondslag heeft gelegd geen aanleiding voor heropening van het onderzoek.

Overwegingen

1. Het beroep is veronderstellenderwijs door [eiser] ingesteld namens [onderneming] V.O.F. . Bij het beroepschrift is geen machtiging meegestuurd. In artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht staat dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het beroep niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Voordat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard moet de indiener van het beroep wel in de gelegenheid zijn gesteld om het verzuim te herstellen.
Machtiging
2. De rechtbank heeft [eiser] bij brief van 24 augustus 2022, 6 oktober 2022, 14 februari 2024 en 5 juli 2024 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen vier weken een toereikende machtiging in te dienen waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om namens eiseres beroep in te stellen en in beroep op te treden. In deze brief staat dat als [eiser] niet (tijdig) aan dit verzoek voldoet of uitstel vraagt, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren.
3. [eiser] heeft op 30 augustus 2022, ontvangen door de rechtbank op 19 september 2022, een niet ingevulde volmacht en een volmacht die is ondertekend door [A] overgelegd. De overgelegde machtigingen zijn niet te koppelen aan [onderneming] V.O.F . Dat betekent dat er in deze beroepsprocedure geen toereikende machtiging is overgelegd.
4
.[eiser] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat de machtiging bij verweerder is overgelegd. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat de volmacht niet bij de stukken van verweerder zit.
5. De machtigingen voldoen niet aan de wettelijke vereisten. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] genoeg tijd heeft gehad om binnen de gestelde termijn het verzuim te herstellen. Dat betekent dat er in deze beroepsprocedure geen toereikende machtiging is overgelegd, terwijl [eiser] wel in de gelegenheid is gesteld om dat verzuim te herstellen. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het beroep is niet-ontvankelijk.
De overschrijding van de redelijke termijn
6. [eiser] heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over de belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat [onderneming] V.O.F. beroep wenste in te stellen en een procedure wilde starten. Om die reden kan ook niet worden vastgesteld dat [onderneming] V.O.F. immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.
7. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2025.
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.