De rechtbank Midden-Nederland behandelde een bestuursrechtelijke zaak waarin namens een besloten vennootschap beroep werd ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar van de gemeente Hilversum. De gemachtigde stelde dat het beroep was ingesteld namens belanghebbende, maar gaf geen gegevens van deze persoon op, waardoor sprake was van een anoniem beroep.
De rechtbank overwoog dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de identiteit van degene namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn. In deze zaak was de beroepstermijn verstreken zonder dat de identiteit van de eiser binnen die termijn was aangetoond met bijvoorbeeld een machtiging.
Omdat de stukken waaruit de identiteit mogelijk bleek pas na het verstrijken van de beroepstermijn werden ingediend, kon het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat niet kon worden vastgesteld dat de eiser een procedure wilde starten en daardoor schade had geleden.
De rechtbank wees ook het verzoek om proceskostenvergoeding af en besloot het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De uitspraak werd gedaan door rechter I. Helmich op 30 juli 2025.