Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser vroeg een WW-uitkering aan na het overlijden van zijn vader, voor wie hij als zorgverlener werkte. Het UWV wees de aanvraag af omdat eiser niet als werknemer in de zin van de WW werd beschouwd, vanwege het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Eiser maakte bezwaar en voerde aan dat er wel sprake was van een gezagsverhouding tussen hem en zijn vader of diens vertegenwoordiger, zijn moeder.
De rechtbank beoordeelde het beroep en stelde vast dat de verplichting tot persoonlijke arbeid en loonbetaling niet in geschil waren, maar dat de gezagsverhouding ontbrak. Uit de dossierstukken en vragenlijst bleek dat vader geen opdrachten of controle uitoefende en dat moeder als vertegenwoordiger onvoldoende bevoegdheid en feitelijke gezagsuitoefening had aangetoond.
De zorgovereenkomsten bevatten geen afspraken die duiden op ondergeschiktheid of gezagsuitoefening. Zonder gezagsverhouding is er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking en dus geen werknemer in de zin van de WW. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en liet het bestreden besluit in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een gezagsverhouding.