De vennootschap onder firma (vof) vordert schriftelijke vastlegging van een pachtovereenkomst met betrekking tot twee percelen agrarische grond die door gedaagde worden beheerd. Eiser stelt dat de percelen in gebruik zijn gegeven voor het melkveebedrijf en dat dit gebruik kwalificeert als pacht. Gedaagde betwist dat er sprake is van een pachtovereenkomst en dat de vof contractspartij is.
De rechtbank onderzoekt eerst wie partij is bij de mondelinge afspraken over het gebruik van de grond. Vastgesteld wordt dat de vof niet als contractspartij kan worden aangemerkt omdat de afspraken mondeling zijn gemaakt met een vennoot persoonlijk, die ook perceel 1 in 2021 van gedaagde heeft gekocht. Er is geen bewijs dat deze vennoot namens de vof handelde of dat de vof partij was bij de afspraken. De vergoeding werd contant door de vennoot betaald zonder facturen.
Daarom wijst de rechtbank de vorderingen af en komt zij niet toe aan de vraag of de afspraken kwalificeren als pacht. De vof wordt hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. De proceskosten worden begroot op €677,00 exclusief betekening. Het vonnis is gewezen door de kantonrechter-voorzitter en twee deskundige leden en is op 20 augustus 2025 in het openbaar uitgesproken.