Eiseres heeft op 18 juni 2024 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende compensatie. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist, ondanks ingebrekestelling op 19 juni 2025. Eiseres stelde vervolgens op 15 juli 2025 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en dat verweerder alsnog binnen een bepaalde termijn een besluit moet nemen. De rechtbank bepaalt een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van 52 weken, wat in dit geval neerkomt op uiterlijk 12 augustus 2026.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €50 per dag dat verweerder te laat is, met een maximum van €15.000. Omdat reeds 42 dagen verstreken zijn sinds de ingebrekestelling, stelt de rechtbank de dwangsom vast op €1.442. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.