Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Zitting
- de verdachte;
- de officier van justitie mr. M. van Aalderen;
- de advocaat van de verdachte mr. H.C. Meijer (hierna: de advocaat).
2.Tenlastelegging
4.Bewijs en bewezenverklaring
- 1x PlayStation PS5 controller;
- Cash geld;
- horloge;
- Labelprinter;
- Gouden Kalf beeld;
- Tot 1940 gestempelde/gebruikte postzegels en series en vanaf 1940- medio jaren 90 postfrisse/ongebruikte postzegels en series;
SIN AAQD2702NL.
5.Kwalificatie en strafbaarheid
6.Straf
7.Vordering benadeelde partij
- het bedrag van € 181,35 (vervangen cilinders sloten woning), vanaf 7 januari 2025, omdat de kosten op die datum zijn gemaakt;
- het bedrag van € 125,00 (vervangen cilinders sloten auto), vanaf 16 januari 2025, omdat de kosten op die datum zijn gemaakt;
- het bedrag van € 968,00 (braakschade raam) en het bedrag van € 2.500,00 (PlayStation, contante geldbedrag en jas), vanaf 31 december 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
8.Toegepaste wetsartikelen
9.De beslissing
gevangenisstraf van 9 (negen) maanden;
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.774,35;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [aangever 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover;
- bepaalt dat de wettelijke rente als volgt wordt berekend:
- verklaart dat de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de Staat € 3.774,35 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de data zoals hiervoor bepaald tot de dag van volledige betaling, bij niet-betaling aan te vullen met 47 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.