Eiseres vroeg een omgevingsvergunning aan voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van tijdelijke perifere detailhandel op een bedrijventerrein. Het college weigerde de vergunning omdat de aanvraag niet voldeed aan het provinciale detailhandelsbeleid en de Nota Detailhandel 2021, met name omdat de aanvraag niet oppervlakte neutraal was en het aantal vierkante meters detailhandel toenam.
Eiseres voerde aan dat het besluit in strijd was met het gelijkheids-, vertrouwens- en evenredigheidsbeginsel en dat de aanvraag in overeenstemming was met de Omgevingsvisie 2030-2040 en de Visie Werklocaties 2030. De rechtbank oordeelde dat de aanvraag te algemeen was om toetsing aan het beleid mogelijk te maken en dat het college terecht de vergunning had geweigerd.
Verder stelde de rechtbank vast dat er geen sprake was van ongelijke behandeling, omdat de vergelijkbare gevallen niet gelijk waren, en dat het vertrouwensbeginsel niet slaagde omdat de eerdere vergunning van 2021 een andere, oppervlakte neutrale situatie betrof.
De rechtbank concludeerde dat het college de vergunning kon weigeren en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.