Eiser kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat op 2 augustus 2024 geen geldig parkeerrecht werd aangetroffen bij zijn geparkeerde voertuig. Eiser voerde aan dat de kraamhulp aanwezig was en dat hij handelingen had verricht om parkeerkorting aan te vragen, maar door de hectiek rond de zorg voor zijn pasgeboren zoon niet tijdig kon voldoen.
Verweerder erkende dat het bezwaar van eiser terecht was ingediend, maar handhaafde de naheffingsaanslag omdat geen geldig parkeerrecht was aangetroffen. De rechtbank oordeelde dat hoewel geen uitzonderlijk geval in de zin van de jurisprudentie was aangetoond, de situatie menselijkerwijs zo goed voorstelbaar is dat coulance geboden is.
De rechtbank vernietigde daarom de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag zelf. Tevens werd verweerder opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. De rechtbank wees erop dat deze uitspraak afwijkt van de vaste jurisprudentie en dat hoger beroep mogelijk is.
De uitspraak werd gedaan door rechter J.W. Veenendaal op 22 juli 2025 zonder mondelinge behandeling, op basis van de ingediende stukken.