ECLI:NL:RBMNE:2025:4766

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 augustus 2025
Publicatiedatum
1 september 2025
Zaaknummer
UTR 25/4289
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens gebrek aan spoedeisend belang bij invorderingsbesluit

Verzoekers hebben op 21 juli 2025 een beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug op hun verzoek tot het nemen van een invorderingsbesluit. Tevens hebben zij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend uit vrees voor verjaring van de dwangsomtermijn.

De voorzieningenrechter heeft zonder zitting uitspraak gedaan en geoordeeld dat een voorlopige voorziening slechts kan worden getroffen indien sprake is van onverwijlde spoed. Op 8 augustus 2025 heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en het college opgedragen binnen een week na 31 augustus 2025 een invorderingsbesluit te nemen indien de dwangsom niet tijdig door de derde-partij is betaald.

Aangezien de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en het college een duidelijke opdracht heeft gegeven, is het spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening komen te vervallen. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4289

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 augustus 2025 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats 1] , verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug

(gemachtigde: mr. E.T.E. Kemperman).
[A] en [B] uit [woonplaats 2] , derde-partij.

Inleiding

1. Verzoekers hebben op 21 juli 2025 een beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op hun verzoek aan het college tot het nemen van een invorderingsbesluit (zaaknummer UTR 25/4286). Zij hebben ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, omdat zij vrezen dat de dwangsomtermijn verjaart (zaaknummer UTR 25/4289).
2. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. [2]
5. De rechtbank heeft op 8 augustus 2025 het beroep tegen het niet tijdig beslissen kennelijk gegrond verklaard. [3] Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat van het college mag worden verwacht dat als derde-partij de dwangsom niet tijdig betaalt er een invorderingsbesluit wordt genomen direct na afloop van de door het college gestelde uiterste termijn van zes weken. De rechtbank heeft daarom bepaald dat als derde-partij niet tijdig de dwangsom heeft betaald het college binnen een week na 31 augustus 2025 een invorderingsbesluit neemt. Het college moet een dwangsom betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden.
6. Nu de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en opdracht aan het college heeft gegeven is er geen spoedeisend belang meer om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.