De kinderrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft op 12 september 2025 een beschikking gegeven over het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van drie minderjarigen, geboren in 2012, 2014 en 2017, die bij hun moeder wonen. De ondertoezichtstelling was eerder verlengd tot 20 september 2025.
De gecertificeerde instelling (GI) had een melding gedaan op grond van artikel 1:265j lid 1 BW dat zij van oordeel was dat verlenging niet meer aangewezen was. De Raad voor de Kinderbescherming toetste dit en stemde in met beëindiging van de ondertoezichtstelling. Ook de ouders en hun advocaten waren van mening dat de gronden voor ondertoezichtstelling niet langer aanwezig waren.
De kinderrechter overweegt dat in het wettelijk systeem de toetsing van beëindiging of verlenging van ondertoezichtstelling door de GI aan de Raad of kinderrechter plaatsvindt. In deze situatie, waarin het verzoek tot verlenging gedeeltelijk was toegewezen en deels aangehouden, is het passend dat de kinderrechter beslist over het aangehouden deel. De kinderrechter wijst het resterende verzoek af en beëindigt daarmee de ondertoezichtstelling.