ECLI:NL:RBMNE:2025:4895
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening jeugdhulp wegens ontbreken spoedeisend belang
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van de Jeugdwet, waarbij verzoeker namens zijn zoon [A] een passende en toereikende gespecialiseerde jeugdhulp wenst te laten organiseren.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente heeft reeds jeugdhulp toegekend voor de periode van 1 juli 2025 tot en met 30 juni 2026 bij een zorgverlener. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en tevens een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening slechts kan worden getroffen bij een spoedeisend belang. Uit het dossier blijkt dat [A] al jeugdhulp ontvangt en dat er geen aanwijzingen zijn dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Ook is niet gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.