Op 2 april 2024 reed de verdachte meermalen met een personenauto op het slachtoffer in en reed hij eenmaal over hem heen, wat leidde tot ernstige verwondingen zoals een open breuk aan het onderbeen. De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het slachtoffer zou overlijden, waarmee sprake is van voorwaardelijk opzet op doodslag.
De verdediging betwistte het opzet en stelde dat niet vaststaat dat verdachte met hoge snelheid reed of over het hoofd of bovenlichaam van het slachtoffer reed. De rechtbank verwierp dit en baseerde haar oordeel op verklaringen van verdachte zelf, camerabeelden en een proces-verbaal van bevindingen.
Hoewel het slachtoffer aangaf dat hij niet wilde dat verdachte werd gestraft, achtte de rechtbank dit niet doorslaggevend vanwege de ernst van het feit. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur. De voorlopige hechtenis werd opgeheven.