Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:4966

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 september 2025
Publicatiedatum
17 september 2025
Zaaknummer
24/7594
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.40 BblArt. 3.41 BblArt. 3:9 AwbArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek brandveiligheid scheidingsmuur in aanbouw

Eiser verzocht het college om handhavend op te treden tegen een vermeende brandonveilige scheidingsmuur in de aanbouw van het buurperceel, specifiek ter hoogte van zijn woonkameruitbouw. Het college wees dit verzoek af omdat geen overtreding werd geconstateerd. Eerder was een soortgelijk verzoek afgewezen na een controle waarbij overtredingen aan een ander deel van de scheidingsmuur werden vastgesteld en handhaving plaatsvond.

De rechtbank stelde vast dat de regels voor brandveiligheid zijn vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving en dat voor bestaande bouw een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) van minimaal 20 minuten geldt. De scheidingsmuur werd gecontroleerd door een toezichthouder van het college en een deskundige van de Veiligheidsregio Utrecht, die constateerden dat de muur uit alleen dichte delen bestaat en daarmee voldoet aan de WBDBO-eis.

Eiser voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, onder meer omdat het rapport onvolledige en deels onjuiste foto’s bevatte en geen bewijs leverde van de dichtheid van de muur aan zijn zijde. De rechtbank oordeelde echter dat het college het deskundigenadvies terecht aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, ondanks enkele kleine onvolkomenheden in de rapportage. De muur is volgens de deskundige volledig gecontroleerd en dicht bevonden.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het handhavingsverzoek terecht is afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. Het college heeft toegezegd buiten deze procedure om een aanvullende foto van de scheidingsmuur aan eiser te verstrekken.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het handhavingsverzoek terecht afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7594

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. drs. J.M. Lammers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden(het college)
(gemachtigden: N. Huizenaar en llb. Z. Baouch).

Inleiding

1. Eiser heeft het college op 26 februari 2024 verzocht om handhavend optreden tegen de brandonveilige scheidingsmuur in de aanbouw aan de [adres] in [plaats] (hierna: het buurperceel). Het verzoek ziet op het gedeelte van de scheidingsmuur ter hoogte van zijn woonkameruitbouw.
2. Eiser heeft sinds de bouw van de aanbouw in 2009/2010 een geschil met zijn buren over de constructie en brandveiligheid daarvan. Eerder, op 19 oktober 2023, heeft eiser bij het college een vergelijkbaar verzoek om handhaving ingediend. Dat verzoek zag op de brandonveilige scheidingsmuur in berging van zijn buren ter hoogte van zijn eigen berging. Het college heeft toen aan beide zijden van de scheidingsmuur overtredingen geconstateerd en daartegen handhavend opgetreden.
3. Het college heeft het verzoek met het besluit van 17 april 2024 afgewezen, omdat hij geen overtreding heeft geconstateerd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
4. Met het bestreden besluit van 14 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van het verzoek om handhavend optreden gebleven.
5. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn vrouw [A] , de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van het college en [B] , preventiemedewerker van de Veiligheidsregio Utrecht (VRU).

Beoordeling door de rechtbank

Beoordelingskader
7. De rechtbank stelt vast dat de regels voor brandveiligheid in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn vastgelegd. Omdat de uitbouw een bestaand gebouw is, zijn de regels voor bestaande bouw daarop van toepassing. De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment bedraagt bij bestaande bouw ten minste 20 minuten. [1]
8. De WBDBO van een scheidingsmuur wordt bepaald volgens NEN 6068. [2] De eerste handeling volgens NEN 6068 is het bepalen of er alleen dichte delen zijn. Indien alle gevels en het dak van een brandruimte of van de ontvangende ruimte bestaan uit alleen dichte delen, dan hoeft geen brandoverslagberekening voor die brandruimte te worden uitgevoerd, en wordt voor die brandruimte per definitie aan de WBDBO eis voldaan.
Het bestreden besluit
9. De woonkameruitbouw van eiser en de uitbouw van de buren zijn twee afzonderlijke brandcompartimenten. Om te bepalen of aan een WDBDO van 20 minuten tussen deze brandcompartimenten wordt voldaan, heeft een toezichthouder van het college samen met [B] van de VRU op 9 april 2024 een controle uitgevoerd. Tijdens de controle is geconstateerd dat vanuit de woonkameruitbouw van eiser tegen een dichtgemetselde muur wordt aangekeken zonder openingen. Ook is geconstateerd dat de aansluiting boven de muur dicht is. Dit wordt door eiser niet betwist. In de aanbouw op het buurperceel heeft het college geconstateerd dat de scheidingsmuur geen gaten heeft. Omdat er alleen dichte delen zijn, wordt tussen de brandcompartimenten aan een WBDBO van 20 minuten voldaan, aldus het college. Om deze reden heeft het college het verzoek afgewezen.
Gronden van het beroep
10. Eiser voert aan dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat het rapport van de toezichthouder alleen foto’s van de berging en het tuinhuis op het buurperceel bevat. Ook staat op sommige foto’s ten onrechte vermeld dat ze zijn genomen in zijn woning. Omdat eiser geen rapport/foto heeft ontvangen van de bevindingen aan de andere kant van de scheidingsmuur ter hoogte van zijn woonkameruitbouw, kan hij niet vaststellen of de muur dicht is. Verder voert eiser aan dat de trekgaten tussen de bergingen nog steeds aanwezig zijn, om welke reden sowieso sprake is van een overtreding.
Overwegingen
11. De rechtbank stelt vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of het college terecht heeft vastgesteld dat de scheidingsmuur ter hoogte van de woonkameruitbouw van eiser voldoet aan de eis van 20 minuten WBDBO. Trekgaten in de berging vallen buiten de omvang van het geding, omdat het verzoek daarop geen betrekking heeft. De rechtbank stelt vast dat een toezichthouder van het college samen met de deskundige van de VRU op 9 april 2024 een controle heeft uitgevoerd, waarbij de scheidingsmuur ter hoogte van de woonkameruitbouw van eiser is gecontroleerd. Op 27 juni 2025 heeft ook nog een tweede controle op het buurperceel plaatsgevonden. Dat de locatie op sommige foto’s onjuist is weergegeven in het rapport van de toezichthouder, zoals eiser terecht opmerkt, komt volgens het college doordat de locatie automatisch via een GPS-verbinding is toegevoegd en hierbij sprake is van een kleine foutmarge. De rechtbank kan deze uitleg volgen en stelt op basis van de rapporten vast dat de scheidingsmuur op beide percelen is onderzocht. Zoals het college op de zitting heeft toegelicht zijn de aanbouw en berging op het buurperceel samengetrokken tot één ruimte waarlangs een groen geverfde scheidingsmuur loopt. De rechtbank heeft op de zitting met eiser vastgesteld dat het rapport van de toezichthouder geen foto bevat van de gehele scheidingsmuur, omdat de foto’s zijn genomen in de berging en het tuinhuis. Dat gegeven betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest.
12. In het rapport van de toezichthouder staat dat de scheidingsmuur is gecontroleerd en dat geen gaten zijn waargenomen. Dat volgt ook uit het rapport van de deskundige van de VRU. Volgens vaste rechtspraak mag het bestuursorgaan op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is afgegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en of de getrokken conclusies daarop aansluiten. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur om een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd. [3] De deskundige van de VRU heeft op de zitting verklaard dat hij tijdens de controle de gehele scheidingsmuur heeft gecontroleerd en dat deze dicht is. De rechtbank is, gelet op deze verklaring, van oordeel dat het college het advies van de deskundige aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Dat de dakconstructies samenkomen op één punt, waardoor de constructie van binnenuit niet te controleren is, maakt het oordeel van de rechtbank over de zorgvuldigheid van het onderzoek niet anders. De toezichthouder en deskundige van de VRU hebben op basis van eigen waarnemingen vastgesteld dat sprake is van twee afgesloten brandcompartimenten met alleen dichte delen, waardoor geen sprake is van een overtreding. De beroepsgrond slaagt niet.
13. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het college op de zitting heeft toegezegd zich in te spannen voor het maken van een foto van de scheidingswand ter hoogte van de woonkameruitbouw van eiser. Deze foto zal het college, buiten het kader van deze procedure om, rechtstreeks aan eiser sturen.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het handhavingsverzoek terecht is afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3.40 Bbl.
2.Artikel 3.41 Bbl.
3.Uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:140 en artikelen 3:9 en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.