In deze civiele procedure staat de vraag centraal of de verkoop van ijsjes met het merk [familienaam van C en D] door eisende partij inbreuk maakt op het merkenrecht, waardoor de verkoop gestaakt moet worden. Eisende partij heeft ijsjes gekocht van gedaagde, die stelt deze te hebben geïmporteerd van een Surinaamse onderneming. Een sommatiebrief van medemerkhouders verbiedt de verkoop van bepaalde producten onder het merk in de Europese Economische Ruimte, maar verwijst niet expliciet naar ijs.
De kantonrechter constateert dat de brief onvoldoende duidelijkheid verschaft over de bevoegdheid van de medemerkhouders en de precieze merkenrechtelijke overtreding. Eisende partij wordt daarom in de gelegenheid gesteld nadere verduidelijking te geven. Gedaagde moet op haar beurt haar rechtmatigheid van import en verkoop nader onderbouwen met documenten en verklaringen.
De zaak wordt aangehouden tot 20 augustus 2025, waarbij partijen zich schriftelijk moeten uitlaten over de bewijsstukken en argumenten. De kantonrechter houdt verdere beslissing aan totdat voldoende bewijs is geleverd om de merkinbreukvraag te beantwoorden.