Eiseres, [eiseres] B.V., heeft haar aandelen in [gedaagde sub 1] B.V. verkocht aan [gedaagde sub 2] B.V. en betwist nu de geldigheid van deze overdracht. Zij stelt dat er geen geldige titel was en dat de overdracht vernietigd moet worden vanwege wilsgebreken zoals dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden.
De rechtbank stelt vast dat de intentieverklaring van 15 mei 2020 en daaropvolgende mondelinge afspraken de geldige titel vormen voor de aandelenoverdracht. Ondanks dat niet alle essentialia in de intentieverklaring stonden, zijn deze later via een notariële leveringsakte ingevuld. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiseres en haar bestuurder, [A (voornaam)], de inhoud van de intentieverklaring hebben begrepen en dat de overdracht niet nietig is.
De door eiseres aangevoerde wilsgebreken worden door de rechtbank verworpen. Er is geen bewijs dat er sprake was van bedrog of misleiding door [gedaagde sub 3 (voornaam)]. Ook het beroep op verjaring wordt afgewezen omdat onvoldoende is gesteld wanneer de verjaringstermijn zou zijn gaan lopen. De rechtbank concludeert dat de aandelenoverdracht rechtsgeldig is en dat de vorderingen van eiseres worden afgewezen.
Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van de gedaagden, begroot op €4.401,00, inclusief griffierecht, advocaatkosten en nakosten. Tevens wordt de wettelijke rente over de proceskosten toegewezen. Het vonnis is gewezen door rechter N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.