3.3Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
Het onder 2, 3, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde is door [verdachte] begaan. [verdachte] heeft deze feiten bekend en er is door de advocaat van [verdachte] geen vrijspraak bepleit van deze feiten. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 16 september 2025;
- het proces-verbaal van [verbalisant 1] van 28 mei 2025;
- een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 29 april 2025;
- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 16 september 2025;
- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7] van 24 december 2024;
- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 8] van 19 juni 2025.
- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 16 september 2025;
- de aangifte van [slachtoffer 2] van 28 mei 2024;
- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 9] en [verbalisant 10] van 24 juli 2024.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
- de bekennende verklaring van [verdachte] op de zitting van 16 september 2025;
- de aangifte van [slachtoffer 3] van 10 juni 2024;
- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 11] en [verbalisant 12] van 11 juni 2024;
- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 13] en [verbalisant 14] van 11 juni 2024.
Feit 1
Bewijsmiddelen
[verdachte] heeft op de
zitting van 16 september 2025onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik de opdracht heb gekregen via snapchat om op [slachtoffer 1] te schieten. Op 6 januari 2025 heb ik een vuurwapen opgehaald. Toen kreeg ik een foto van [slachtoffer 1] te zien en werd mij verteld waar [slachtoffer 1] zich bevond. Daarna ben ik naar Almere gegaan, heb ik uren in de bosjes gelegen bij de sportschool ‘ [sportschool] ’, en toen [slachtoffer 1] naar buiten kwam heb ik eenmaal met een gestrekte arm met dit wapen geschoten. Hierna heb ik dit wapen weer teruggebracht.
Het
proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 8 januari 2025, houdende de verklaring van [slachtoffer 1] , onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 6 januari 2025 te Almere liep ik naar mijn auto buiten bij mijn sportschool. Ik zag dat er aan de overkant een persoon naast een stilstaande auto verscheen. Ik hoorde 1 knal welke ik herkende als het geluid van een schot. Ik voelde op dat moment iets warms over mijn hoofd heengaan.
Het
proces-verbaal van verhoor getuige van 6 januari 2025, houdende de verklaring van [getuige] , onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 6 januari 2025 te Almere zat ik in de auto buiten voor de sportschool naast de bosjes. Ik zag de bosjes heftig bewegen en iemand uit de bosjes komen met een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand. Ik zag dat de man met één hand zijn wapen richtte richting de onderkant van de voordeur van de sportschool. Ik hoorde gelijk na het richten één knal.
Verbalisant [verbalisant 15] heeft in een
proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2025, zakelijk weergegeven, camerabeelden bekeken en als volgt beschreven:
Ik keek naar de camerabeelden van het pand van [sportschool] en zag dat de datum stond op ‘Jan 06 2025’. Ik zag dat er een auto op de binnenplaats voor het pand stond en een persoon uit het pand kwam en richting de auto liep. Deze persoon bleek te zijn: [slachtoffer 1] . Ik zag dat er uit de bosjes, tegenover het pand, een persoon kwam en liep in de richting van [slachtoffer 1] . Ik zag dat de persoon, zeer waarschijnlijk, een vuurwapen in zijn hand had en een schot loste, in de richting van [slachtoffer 1] . Dit vermoed ik omdat er een flits uit het vuurwapen kwam en er een projectiel werd aangetroffen.
Verbalisanten [verbalisant 16] en [verbalisant 17] hebben in een
proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] Almere ) van 8 januari 2025, zakelijk weergegeven, het volgende beschreven:
Op de weg, voor het pand van de sportschool, is een huls aangetroffen.
Goednummer: PL0900-2025006130-3463370
SIN: AASC5702NL
Object: Munitie (Mund Huls)
Merk/type: Ge co
Kaliber: 9mm luger.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft in een
proces-verbaal aanvraag benoeming deskundige van 23 januari 2025, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Verdachte verklaarde de schutter te zijn geweest op 6 januari 2025. Hierbij verklaarde verdachte een jas aan te hebben gehad tijdens het schieten. Deze jas is veiliggesteld voor nader onderzoek.
Goednummer: PL0900-2025006130-3468774
SIN: AAST8883NL
Object: Kleding (Jas).
Verbalisant [verbalisant 1] heeft in een
proces-verbaal van bevindingen van 29 januari 2025, zakelijk weergegeven, het volgende beschreven over de kogelbaan:
Foto 2 laat een weergave zien waarbij het projectiel de dakrand van de auto heeft
geraakt.
Foto 3 laat een weergave zien met rood omcirkeld de projectielbeschadiging. De
projectielbeschadiging bevond zich op ongeveer 1,41 meter hoogte. Fragmenten van het projectiel werden aangetroffen tussen de achterklep en de bumper. In de voordeur van de sportschool werd een projectielbeschadiging aangetroffen op 1,20 meter hoogte en in de sponning een fragment van een projectiel.
Een
rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 16 april 2025, zakelijk weergegeven, inhoudende schotrestenonderzoek:
De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de bemonsteringen van de jas [AAST8883NL] van verdachte [verdachte] zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese Al waar is, dan wanneer hypothese A2 waar is, waarbij:
- Hypothese Al: Op de bemonsteringen van de jas van de verdachte zijn schotresten aanwezig.
- Hypothese A2: Op de bemonsteringen van de jas van de verdachte zijn géén schotresten aanwezig.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft in een
proces-verbaal van bevindingen van 28 mei 2025, zakelijk weergegeven, het volgende beschreven over de kogelbaan:
Op basis van de camerabeelden, sporen op de PD en het onderzoek van het NFI aan de kogeldelen concludeer ik dat er sprake is van één gelost schot. De gele stippellijn in afbeelding 1 geeft een schatting van de kogelbaan aan. De schutter heeft het schot afgevuurd, hierbij is de kogel ingeslagen in de dakrand van de auto, rechtsboven het bestuurdersportier. Op afbeelding 1 is te zien waar het slachtoffer zich bevond ten tijde dat de kogel de auto raakt. Ten tijde de kogel de dakrand van de auto raakt, splitst de kogel in twee fragmenten, waarbij een fragment van de kogel via de dakrand richting de achterklep gaat en hierbij tot stilstand komt tussen de achterklep en achterbumper. Een groter fragment van de kogel heeft de dakrand gericocheerd (afgeketst) en is via de lucht richting de toegangsdeur van de sportschool gevlogen.
Poging tot moord?
De feiten
Op grond van de inhoud van de hiervoor aangehaalde wettige bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten, die verder ook niet ter discussie staan.
Op 5 januari 2025 is [verdachte] door een onbekend gebleven opdrachtgever via snapchat benaderd om op ‘een man’ te schieten. [verdachte] heeft deze opdracht geaccepteerd en zou daarvoor een beloning van € 5000,- ontvangen. Op 6 januari 2025 heeft [verdachte] een vuurwapen opgehaald. Hij heeft toen instructies gekregen over het beoogde doelwit: hoe het slachtoffer eruit zag, op welke locatie hij zich zou bevinden en dat binnen in de sportschool geschoten moest worden. Het slachtoffer bleek [slachtoffer 1] te zijn. Diezelfde dag is [verdachte] naar Almere gereisd en heeft hij zich gedurende enkele uren in de bosjes voor de sportschool van het slachtoffer verstopt. Na enige tijd is het slachtoffer naar buiten gekomen en richting zijn auto gelopen. Op dat moment is [verdachte] uit de bosjes gekomen en heeft met een gestrekte arm eenmaal richting het slachtoffer geschoten. De kogel is daarbij vlak langs het hoofd van het slachtoffer heen gevlogen en heeft de auto waar hij naast stond geraakt. Hierna is [verdachte] weggerend en heeft hij het vuurwapen bij zijn opdrachtgever weer teruggebracht.
Opzet op de dood
[verdachte] heeft verklaard dat het de bedoeling was om in het been van het slachtoffer te schieten. Ook heeft [verdachte] verklaard dat hij van dit plan wilde afwijken en daarom niet in de richting van het slachtoffer wilde schieten. De rechtbank acht dit niet geloofwaardig, gelet op het hoge geldbedrag dat hem voor zijn daad is geboden in samenhang met de volgende omstandigheid. [verdachte] heeft met een gestrekte arm het wapen gericht op het slachtoffer en een schot gelost. De kogel heeft de auto van het slachtoffer geraakt op een hoogte van ongeveer 1.40 meter. Het slachtoffer stond op dat moment naast dit voertuig. Fragmenten van diezelfde kogel raakten de ruit van de sportschool die het slachtoffer kort daarvoor had verlaten. Het slachtoffer is op enkele centimeters na niet geraakt door de kogel. De rechtbank heeft gezien deze omstandigheden de overtuiging dat [verdachte] gericht op het slachtoffer heeft geschoten. De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] bewust heeft gehandeld met het oogmerk het slachtoffer te doden.
Voorbedachte raad?
Van voorbedachte raad is sprake als [verdachte] zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om het schot te lossen. Dit betekent dat [verdachte] de tijd moet hebben gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] met voorbedachten rade heeft gehandeld en legt uit waarom.
De handelingen van [verdachte] duiden op meerdere momenten van beraad. Voorafgaand aan het schietincident heeft hij duidelijke instructies van de opdrachtgever gekregen. Deze opdrachtgever heeft [verdachte] geïnstrueerd om op het slachtoffer te schieten, daarbij een foto van het slachtoffer getoond en tevens de locatie van het slachtoffer vermeld. [verdachte] is naar de sportschool van het slachtoffer in Almere gegaan en heeft enkele uren in de bosjes op de uitkijk gelegen. Onderweg naar de sportschool en terwijl [verdachte] meerdere uren in de bosjes lag heeft hij ruimschoots de tijd gehad om na te denken over zijn voorgenomen daad. Dit heeft [verdachte] er niet van weerhouden om, toen het slachtoffer eenmaal in het zicht kwam, gericht op hem te schieten. De kogel heeft het slachtoffer maar net gemist.
Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van [verdachte] en de tijdspanne concludeert de rechtbank dan ook dat er sprake was van een vooropgezet plan om het slachtoffer te doden.
[verdachte] heeft dus niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en er is niet gebleken van enige contra-indicaties dat [verdachte] met voorbedachten rade heeft gehandeld.
Medeplegen
De rechtbank overweegt ten slotte dat tussen [verdachte] en zijn opdrachtgever duidelijke afspraken zijn gemaakt over de te plegen aanslag. De opdrachtgever heeft [verdachte] geïnstrueerd wie het slachtoffer was en waar hij zich bevond. [verdachte] zou voor het plegen van de aanslag een beloning ontvangen. [verdachte] heeft het vuurwapen van de opdrachtgever in ontvangst genomen, voorzien van instructies over het gebruik daarvan. Nadat hij op het slachtoffer heeft geschoten heeft [verdachte] , zoals afgesproken, het vuurwapen teruggegeven aan de opdrachtgever.
Gelet op deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de onbekend gebleven opdrachtgever.
Conclusie
De rechtbank heeft op grond van het vorenstaande de overtuiging dat verdachte de primair ten laste gelegde poging tot moord samen met de onbekend gebleven opdrachtgever heeft begaan en zal dit feit in zoverre bewezen verklaren.
Feit 4
Bewijsmiddelen
[verdachte] heeft op de
zitting van 16 september 2025onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik samen met anderen op 24 december 2024 het plegen van een overval in Almere heb voorbereid en daar naar toe ben gegaan. Het klopt dat de e-mailadressen die gevonden zijn op de in beslag genomen telefoon van mij zijn, waaronder het mailadres dat begint met […] . Deze telefoon gebruikte ik op 24 december 2024. In de groepschat is de voorbereiding van de overval besproken.
Verbalisant [verbalisant 8] heeft in een
proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2025, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd als uitwerking van een gesprek tussen [verdachte] en medeverdachten:
24 december 2024
[e-mail adres 1] : Jullie zijn met hamer en pijp.
[e-mail adres 1] : Vergeet niet die P en die hamer af te geven.
[e-mailadres verdachte] : Nospang. Komt goed.
[e-mail adres 1] : Je wilt niet met hete dingen gepakt worden. Vooral niet zaak met p.
(...)
[e-mail adres 2] : @ [e-mailadres verdachte] jij gaat alles pakken wat je pakken kan, ik ga met p met die man naar achteren.
[e-mailadres verdachte] : Sws.
[e-mail adres 1] : Pap en goud moet allemaal ingeleverd worden.
(…)
[e-mail adres 1] : @ [e-mail adres 2] die man die je gaat meeten vo die spullen is dezelfde persoon als die die buit aanneemt en het later naar […] brengt.
[e-mail adres 2] : Ik zie jou half 9 en dan geef je pap voor moker en pijp.
[e-mail adres 2] : Dan ga ik daarna gelijk naar die plek om die mokers te halen.
[e-mail adres 2] : Daarna meet ik @ [e-mailadres verdachte] .
Verbalisanten [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7] hebben in een proces-verbaal van bevindingen van 24 december 2024, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Op 24 december 2024 te Almere zagen wij een man en vrouw staan. Naast de vrouw stond een tas. Ik deed de tas open en zag dat er een vuurwapen in zat.
Een
kennisgeving van inbeslagnemingvan 24 december 2024, zakelijk weergegeven:
Plaats: Almere
Datum: 24 december 2024
Goednummer: 3457638
Object: Vuurwapen (Pistool)
Bijzonderheden: Aangetroffen in tas bij personen.
Verbalisant [verbalisant 18] heeft in een
proces-verbaal van bevindingen van 27 december 2024, zakelijk weergegeven, het volgende beschreven:
Goednummer: 3457638
Wapen: vuurwapen, pistool, van origine gas- of alarmpistool, merk Blow, model TR92, voorzien van het wapennummer [wapennummer] , kaliber 9mm P.A.K., omgebouwd naar scherpschietend.
Categorie: III sub I.
Feit 4
Bewijsoverweging
Medeplegen voorhanden hebben van een vuurwapen
De advocaat van [verdachte] heeft bepleit dat het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen niet kan worden bewezen, omdat [verdachte] niet wist dat de medeverdachte een vuurwapen bij zich had. Ook kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat [verdachte] de beschikkingsmacht over dit wapen heeft gehad.
De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat. Om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen, moet sprake zijn van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [verdachte] en de medeverdachte(n) bij het plegen van het ten laste gelegde feit. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake van is en legt uit waarom.
[verdachte] heeft bekend dat hij en de medeverdachten een plan hebben gemaakt om een overval te plegen. Dit plan is uitvoerig besproken in chatgesprekken, waaraan [verdachte] ook heeft deelgenomen. In deze chatgesprekken wordt meerdere malen gesproken over het meebrengen van een ‘P’ of ‘pijp’. De rechtbank overweegt dat dit niet anders kan zijn dan een variant op straattaal voor pistool. De medeverdachte heeft in deze gesprekken aangegeven dit te regelen. [verdachte] heeft enkele keren instemmend gereageerd op vragen of het plan duidelijk was. De rechtbank is er hierdoor van overtuigd dat [verdachte] zich wel bewust was van het feit dat er bij de overval een wapen aanwezig zou zijn. De verklaring van [verdachte] dat hij niet wist dat medeverdachte een wapen mee had wordt dan ook terzijde geschoven.
Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte] – samen met de medeverdachte – de beschikkingsmacht heeft gehad over het wapen. [verdachte] en de medeverdachte hebben elkaar ontmoet in Almere, waarna zij een tijd samen zijn geweest om de overval voor te bereiden. Toen de eerste locatie niet meer geschikt bleek hebben [verdachte] en de medeverdachte samen besloten om een andere locatie te gaan overvallen. Al die tijd had de medeverdachte het wapen in haar tas. De rechtbank oordeelt dat [verdachte] onder deze omstandigheden ook zelf in staat is geweest om over het wapen te beschikken.