Uitspraak
1.De procedure
- de dagvaarding van 28 augustus 2024, met bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondeling antwoord.
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil tussen een opdrachtnemer en een zorginstelling over de betaling van verrichte werkzaamheden in november en december 2023. De opdrachtnemer stelde dat hij recht had op €9.012,50, terwijl de zorginstelling dit betwistte vanwege te late facturatie, schorsing wegens ongepast gedrag en twijfel over de aanwezigheid van de opdrachtnemer.
De kantonrechter oordeelde dat er een overeenkomst van opdracht bestond en dat de opdrachtnemer recht had op betaling van €8.102,50 voor de uren tot 14 december 2023, de datum van schorsing. De uren na deze datum werden niet toegekend vanwege het ontbreken van werkzaamheden. De zorginstelling had onvoldoende bewijs geleverd van niet-gewerkte uren vóór de schorsing.
Daarnaast werd de wettelijke handelsrente toegewezen vanaf de dagvaarding en werden buitengerechtelijke incassokosten van €780,13 aan de opdrachtnemer toegekend. De zorginstelling werd veroordeeld tot betaling van deze bedragen en de proceskosten van €904,22. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De zorginstelling moet €8.102,50 betalen voor gewerkte uren tot 14 december 2023, vermeerderd met rente en incassokosten.