Eiseres heeft op 4 maart 2024 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende compensatie. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet tijdig een besluit genomen binnen de wettelijke beslistermijn van maximaal 52 weken, die eindigde op 4 maart 2025.
Eiseres stelde verweerder bij brief van 12 maart 2025 in gebreke en diende op 18 april 2025 een beroepschrift in tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en dat verweerder alsnog binnen een nader bepaalde termijn een besluit moet nemen, uiterlijk 28 april 2026.
De rechtbank legt een dwangsom op van €50 per dag dat verweerder te laat is, met een maximum van €15.000. Omdat reeds 42 dagen verstreken zijn sinds de ingebrekestelling, stelt de rechtbank de dwangsom vast op €1.442. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht.