Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het CBR waarin haar bezwaar ongegrond werd verklaard. Tijdens de procedure heeft het CBR op 28 augustus 2025 het primaire besluit herroepen en het bezwaar gegrond verklaard, waardoor verzoekster geheel tegemoet is gekomen.
Hierop heeft verzoekster haar beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenveroordeling van het CBR. De rechtbank heeft het CBR in de gelegenheid gesteld te reageren, maar het CBR heeft niet gereageerd.
De rechtbank oordeelt dat het CBR aan verzoekster is tegemoetgekomen en wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Het CBR wordt veroordeeld tot betaling van € 907,- aan proceskosten, exclusief het griffierecht van € 194,- dat verzoekster rechtstreeks bij het CBR moet claimen.
De uitspraak is gedaan door rechter L. van t. Hof en griffier L.E. Mollerus op 13 oktober 2025. Partijen kunnen binnen zes weken verzet aantekenen tegen deze uitspraak.