ECLI:NL:RBMNE:2025:5319

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
UTR 25/305
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens tegemoetkoming CBR

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het CBR waarin haar bezwaar ongegrond werd verklaard. Tijdens de procedure heeft het CBR op 28 augustus 2025 het primaire besluit herroepen en het bezwaar gegrond verklaard, waardoor verzoekster geheel tegemoet is gekomen.

Hierop heeft verzoekster haar beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenveroordeling van het CBR. De rechtbank heeft het CBR in de gelegenheid gesteld te reageren, maar het CBR heeft niet gereageerd.

De rechtbank oordeelt dat het CBR aan verzoekster is tegemoetgekomen en wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Het CBR wordt veroordeeld tot betaling van € 907,- aan proceskosten, exclusief het griffierecht van € 194,- dat verzoekster rechtstreeks bij het CBR moet claimen.

De uitspraak is gedaan door rechter L. van t. Hof en griffier L.E. Mollerus op 13 oktober 2025. Partijen kunnen binnen zes weken verzet aantekenen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het CBR wordt veroordeeld tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/305

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. X.B. Sijmons),
en

het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: P.A. Leerentveld).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het CBR in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van het CBR van 5 december 2024. Zij heeft het beroep ingetrokken, omdat het CBR op 28 augustus 2025 dit besluit heeft vervangen door een nieuw besluit waarin het bezwaar gegrond is verklaard en het primaire besluit om haar een EMA op te leggen, heeft herroepen. Verder heeft het CBR in het nieuwe besluit medegedeeld dat verzoekster de opleggings- en uitvoeringskosten die zij voor de EMA heeft betaald, terugkrijgt en dat aan haar gemachtigde de in bezwaar gemaakte proceskosten worden vergoed.
1.1.
De rechtbank heeft het CBR in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het CBR heeft hierop niet gereageerd.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]

Is het CBR aan verzoekster tegemoetgekomen?

4. De rechtbank moet dus beoordelen of het CBR geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 10 januari 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoekster ongegrond is verklaard. Het CBR heeft op
28 augustus 2025 het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard en het primaire besluit om haar een EMA op te leggen, herroepen. Hiermee is het CBR tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
4.2.
Verzoekster heeft vervolgens het beroep ingetrokken. Bij deze intrekking heeft verzoekster verzocht om het CBR te veroordelen in de proceskosten.
Welk bedrag aan proceskosten moet het CBR aan verzoekster vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het CBR moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 907,-, omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het CBR verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden. [3] Verzoekster moet zich hiervoor tot het CBR wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het CBR tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. van t. Hof, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.