De rechtbank Midden-Nederland behandelde een geschil tussen ouders met gezamenlijk gezag over hun twee minderjarige kinderen, wonende bij de moeder. De vader woont in het buitenland en verzocht om een regeling voor de verdeling van schoolvakanties, wekelijkse videobelcontacten en kinderalimentatie.
Na behandeling verklaarde de rechtbank de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek om provisionele voorzieningen, omdat een eindbeslissing werd verwacht. In de bodemprocedure stelde de rechtbank een vakantieschema vast waarbij de kinderen in even jaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vader verblijven en in oneven jaren de laatste drie weken. Ook werden de kerst-, voorjaars-, meivakantie en herfstvakantie verdeeld volgens een vast patroon. De vakanties vinden in principe in Nederland plaats, tenzij anders overeengekomen.
De rechtbank bepaalde dat de vader minimaal driekwart van de tijd zelf voor de kinderen moet zorgen tijdens zijn vakanties, om te voorkomen dat de kinderen vooral bij familie verblijven zonder vader. Voor het contact buiten vakanties legde de rechtbank wekelijkse videobelcontacten vast: voor de jongste twee keer per week van twintig minuten en voor de oudste minimaal één keer per week met vrijheid in tijd en vorm.
Verder legde de rechtbank vast dat de vader €320 per maand betaalt als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en elke ouder draagt zijn eigen proceskosten. De rechtbank benadrukte het belang van het welzijn van de kinderen, respect voor wensen van de oudste en het belang van regelmatige ouderlijke betrokkenheid.