De heffingsambtenaar stelde op 28 februari 2023 de WOZ-waarde van een woning in Utrecht vast op € 678.000,- met waardepeildatum 1 januari 2022. Eiser ging tegen deze beschikking in bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde de waarde aan de hand van een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met vier referentiewoningen in dezelfde wijk. De heffingsambtenaar maakte aannemelijk dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede doordat rekening was gehouden met verschillen in ligging, staat van onderhoud en voorzieningen.
Eiser voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met houtrot in raamkozijnen, de staat van onderhoud, een ondergemiddeld duurzaamheidsniveau en de ligging nabij een snelweg, UMTS-mast en spoorweg. De rechtbank oordeelde dat deze punten door de heffingsambtenaar voldoende waren betrokken bij de waardering en dat de taxateur van eiser de staat van onderhoud op hetzelfde niveau kwalificeerde.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde terecht is vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten of griffierecht.