11.1De heffingsambtenaar geeft aan dat bij de waardebepaling onder andere gebruik is gemaakt van de informatie van de inpandige opname van 25 april 2017. Volgens de heffingsambtenaar is er voldoende rekening gehouden met het feit dat de badkamer en garage nog in de oorspronkelijke staat verkeren en dat er geen, dan wel zeer beperkte isolatie aanwezig is. Dit komt volgens de heffingsambtenaar tot uiting in de onderlinge waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen. De prijs per m² voor de opstal van de referentiewoningen is respectievelijk € 3.200,-, € 3.406,-, € 3.675,- en
€ 3.200,-. Dat komt neer op een gemiddelde m²-prijs van € 3.383,-. De m²-prijs van de woning is vastgesteld op € 3.100,- en ligt dus al onder de gemiddelde prijs van de referentiewoningen. Bij het vaststellen van de waarde van de woning is verder een significante aftrek van herstelkosten en overige verbeteringen aangenomen. Eiser heeft in eerdere procedures aangegeven van plan te zijn een offerte van de herstelkosten door een professioneel bedrijf op te laten maken zodat er geen discussies over goede referentiewoningen hoeft plaats te vinden, dit is echter (nog) niet ingediend.
Er is bij het bepalen voor de waarde voor belastingjaar 2023 rekening gehouden met een bedrag van € 60.140,- voor funderingsherstel. Daarnaast is er rekening gehouden met het feit dat de woning onder gemiddeld voldoet aan de wooneisen (€ 30.070,-) en een onder gemiddelde staat van onderhoud heeft (€ 30.070,-). Hiervoor is in de waardematrix een aftrek van ruim € 120.000,- vermeld. Hiermee is volgens de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat er voldoende rekening is gehouden met de schade aan de fundering en de onderhoudstoestand. Eiser heeft, behalve de blote stelling, niet nader onderbouwd dat de kosten voor het funderingsherstel hoger zouden zijn. De rechtbank kan de heffingsambtenaar hierin volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
12. Eiser heeft op de zitting verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
13. De rechtbank moet eerst beoordelen of het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024van toepassing is op deze zaak. Uit overweging 3.5 van voornoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat de weergegeven wijzigingen niet gelden voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dit arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep) op de datum van dit arrest is overschreden. (i) Eiser heeft op de zitting van 21 augustus 2025 voor het eerst verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. (ii) De redelijke termijn voor bezwaar en beroep is overschreden twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar, dus op 7 maart 2025. Het arrest van de Hoge Raad is van 14 juni 2024. Hieruit volgt dat op de datum van het arrest de redelijke termijn nog niet was overschreden en dat het arrest van toepassing is op deze zaak.
14. Uit het arrest volgt verder dat de zogenoemde bagatelgrens niet meer op € 15,- wordt gesteld, maar op € 1.000,-. De rechtbank moet dan ook vervolgens beoordelen of deze bagatelgrens wordt gehaald.
15. Uit overweging 3.3.3 volgt dat het financiële belang bij de procedure in beginsel bestaat uit het financiële voordeel dat belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële belang bij de procedure wordt dus niet bepaald door de hoogte van een of meer fiscale beschikkingen en ook niet door de omvang van het (uiteindelijk) door de belanghebbende in de procedure bereikte financiële resultaat. De Hoge Raad heeft ook overwogen dat het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten buiten beschouwing wordt gelaten voor zover hij deze standpunten tegen beter inheeft ingenomen.
16. De rechtbank is van oordeel dat de enige concrete gronden die zijn aangevoerd in deze beroepsprocedure zien op de WOZ-waarde van de woning en daarmee op de onroerendezaakbelasting. Er zijn geen concrete gronden aangevoerd ten aanzien van de (hoogte van de) overige op het aanslagbiljet genoemde heffingen. Ten aanzien van een eventueel financieel belang ten aanzien van indirecte heffingen waar de WOZ-waarde op van invloed is, had het op de weg van eiser gelegen de feiten te stellen en in geval van betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld. Dit heeft eiser niet gedaan. Aangezien het financiële belang alleen kan worden vastgesteld door te berekenen wat het verschil is in onroerendezaakbelasting tussen de vastgestelde WOZ-waarde en de bepleite waarde, en de onroerendezaakbelasting op de aanslag over de hele waarde € 277,14 bedraagt, wordt de bagatelgrens van € 1000,- niet gehaald.
17. Om de gevolgen van het bovenstaande te kunnen bepalen moet eerst gekeken worden hoeveel de redelijke termijn is overschreden. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 7 maart 2023. De redelijke termijn verliep dus op
7 maart 2025. De redelijke termijn is dus met een kleine 6 maanden overschreden. Dit sluit aan bij overweging 3.4.3 waaruit volgt dat wanneer het financiële belang bij de procedure, minder dan € 1.000,- bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, de belastingrechter kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank zal dit dan ook toepassen. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.