Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] , verweerder
Procesverloop
4 juli 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
Overwegingen
€ 3.200,-. Dat komt neer op een gemiddelde m²-prijs van € 3.383,-. De m²-prijs van de woning is vastgesteld op € 3.100,- en ligt dus al onder de gemiddelde prijs van de referentiewoningen. Bij het vaststellen van de waarde van de woning is verder een significante aftrek van herstelkosten en overige verbeteringen aangenomen. Eiser heeft in eerdere procedures aangegeven van plan te zijn een offerte van de herstelkosten door een professioneel bedrijf op te laten maken zodat er geen discussies over goede referentiewoningen hoeft plaats te vinden, dit is echter (nog) niet ingediend.
7 maart 2025. De redelijke termijn is dus met een kleine 6 maanden overschreden. Dit sluit aan bij overweging 3.4.3 waaruit volgt dat wanneer het financiële belang bij de procedure, minder dan € 1.000,- bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, de belastingrechter kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank zal dit dan ook toepassen. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2025.