Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, een twee-onder-een-kapwoning uit 1890, gelegen op een perceel van 389 m² in [plaats]. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €404.000,- per 1 januari 2022, welke eiser betwistte en een lagere waarde van €379.000,- voorstelde.
De rechtbank heeft de taxatiematrix van de heffingsambtenaar beoordeeld, waarin de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen in dezelfde plaats, ondanks verschillen in gebruiksoppervlakte en bouwjaar. De rechtbank achtte deze vergelijkingen voldoende en vond dat de heffingsambtenaar op juiste wijze rekening had gehouden met de verschillen, waaronder het ontbreken van spouwmuren en het duurzaamheidsniveau.
Eiser voerde aan dat de verouderde keuken en badkamer, het ontbreken van een spouwmuur en een erfdienstbaarheid een lagere waarde rechtvaardigen. De rechtbank oordeelde dat deze punten onvoldoende onderbouwd waren en dat de heffingsambtenaar hiermee rekening had gehouden binnen de waardering. Ook de proceskostenvergoeding werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de WOZ-waarde. Partijen is gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.