ECLI:NL:RBMNE:2025:5398

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
15 oktober 2025
Zaaknummer
UTR 24/6551
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa Zw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens overschrijding verdiencapaciteit

Eiseres heeft zich ziekgemeld en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde vast dat zij met passende functies 88,7% van haar oorspronkelijke loon kan verdienen en beëindigde daarom de uitkering per 14 april 2023. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig en onjuist was, onder meer omdat de verzekeringsarts geen informatie had ingewonnen bij haar behandelaars en geen rekening had gehouden met haar revalidatietraject.

De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig en juist is uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek gedaan, eiseres onderzocht en beperkingen adequaat gemotiveerd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De klachten en beperkingen van eiseres zijn voldoende in kaart gebracht, en er was geen aanleiding om aanvullende informatie op te vragen. De nieuw vastgestelde hernia en verergering van klachten traden na de datum in geding op en zijn daarom niet relevant voor de beoordeling.

Ook de arbeidskundige beoordeling is deugdelijk en de geduide functies zijn passend bij de beperkingen van eiseres. De rechtbank volgt het UWV dat eiseres op datum in geding meer dan 65% kan verdienen, waardoor zij geen recht meer heeft op de Ziektewetuitkering. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de Ziektewetuitkering wordt terecht beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6551

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.E. Jalandoni),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: J.H. Swart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat eiseres per 14 april 2023 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (Zw), omdat eiseres meer dan 65% kan verdienen van het loon voordat zij ziek werd. De rechtbank beoordeelt het besluit van het Uwv aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Voorgeschiedenis en bestreden besluit
2. Eiseres heeft zich op 1 maart 2022 ziekgemeld. Daarvoor werkte zij via een uitzendbureau als managementassistent bij [werkgever] B.V. voor gemiddeld 30,18 uur per week. De uitzendovereenkomst liep af op 9 juli 2022. Eiseres bereikte op 28 februari 2023 het einde van het eerste ziektejaar. In het kader van de eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWB) heeft het Uwv vastgesteld dat eiseres met passende functies 88,7% kan verdienen in vergelijking met het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Met het besluit van 13 maart 2023 heeft het Uwv vastgesteld dat eiseres per 14 april 2023 niet meer in aanmerking komt voor een Zw-uitkering. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3. Met het besluit van 1 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is het Uwv bij de beëindiging van de ZW-uitkering gebleven. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordelingskader

5. Eiseres heeft recht op een Zw-uitkering als zij wegens ziekte of gebrek ten hoogste 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. [1] De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat eiseres als managementassistent verdiende te vergelijken met het loon dat zij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
6. Bij het beoordelen van de zaak stelt de rechtbank voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal eisen voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze eisen voldoen. Om aannemelijk te maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop eiseres zelf haar gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.
7. Van belang is verder dat het in deze zaak gaat om de medische situatie van eiseres per het einde van het eerste ziektejaar, in dit geval 28 februari 2023. Het gaat dus om de medische situatie van eiseres op die datum, de zogenoemde datum in geding.

Beoordeling door de rechtbank

De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
8. Eiseres voert aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen informatie heeft ingewonnen bij de behandelend sector. Hierdoor is de medische situatie van eiseres onvoldoende betrokken bij de besluitvorming, dan wel te optimistisch weergegeven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had informatie moeten inwinnen bij de reumatoloog, GZ-psycholoog en fysiotherapeut van eiseres. Ook voert eiseres aan dat zij vanaf 8 mei 2023 een intensief revalidatieprogramma bij revalidatiecentrum OCA heeft gevolgd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie over de behandeling had moeten opvragen.
9. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht, de voorgeschiedenis van eiseres in zijn beoordeling betrokken en eiseres op het spreekuur van 31 juli 2023 onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft beperkingen aangenomen en vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 17 september 2024. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 17 september 2024 inzichtelijk gemotiveerd welke beperkingen uit de klachten van eiseres voortvloeien. De rapportage bevat ook geen tegenstrijdigheden en is voldoende begrijpelijk. Omdat eiseres tijdens het spreekuur haar verhaal heeft kunnen doen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van dossierstudie en eigen onderzoek heeft vastgesteld dat eiseres fybromyalgie en een paniekstoornis heeft, bestond naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om aanvullende informatie bij de behandelend sector op te vragen. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de in beroep toegezonden stukken van de behandelend sector voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding vormden om op medische gronden tot een andere beslissing te komen. De rechtbank kan dat volgen, omdat de klachten van eiseres zich hebben vertaald naar beperkingen in de FML en de overgelegde stukken geen nieuwe medische feiten op datum in geding bevatten. De beroepsgrond slaagt niet.
De medische beoordeling
10. Eiseres voert aan dat de medische beoordeling onjuist is, omdat zij meer en verdergaand beperkt is dan in de FML is opgenomen. Haar pijnklachten zijn inmiddels door de neuroloog gediagnosticeerd als een hernia. De pijnklachten waren op datum in geding al dermate ernstig dat zij wegens ziekte arbeidsongeschikt was. Daarnaast voert eiseres aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het revalidatietraject van drie maanden bij OCA. Gedurende die periode is volgens het advies van de bedrijfsarts sprake geweest van een geen benutbare mogelijkheden (GBM) situatie en eiseres onderschrijft dit. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij zowel voorafgaand aan het revalidatietraject als ook gedurende dat traject niet kon werken, waardoor de FML ook om deze reden onjuist is.
11. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. In de FML zijn vanwege de klachten van eiseres beperkingen aangenomen, zowel op fysiek als psychisch vlak. Zo kan eiseres bij productiematig/routinematig werk één keer per dag deadlines en productiepieken hanteren en kan eiseres conflicten met agressieve of onredelijke mensen slechts incidenteel in direct contact hanteren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook beperkingen in het bewegingsapparaat aangenomen, vanwege de fybromyalgie. Eiseres is onder meer beperkt ten aanzien van frequent buigen tijdens het werk, tillen tijdens het werk, trappenlopen, zitten en staan tijdens het werk. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 januari 2025 en uit het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat eiseres mei vorig jaar last kreeg van uitstraling van pijnklachten naar het linkerbeen. Eiseres heeft op de zitting aangegeven dat haar reeds bestaande pijnklachten door de uitstraling zijn verergerd. De uitstraling is door de neuroloog gediagnosticeerd als een hernia. Op 25 juni 2024 heeft eiseres zich opnieuw ziekgemeld. Het Uwv heeft vervolgens vastgesteld dat eiseres, vanwege de nieuw vastgestelde ziekte, met ingang van 6 mei 2024 arbeidsongeschikt is. Omdat de uitstraling/verergering van de klachten is opgetreden ná datum in geding, is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op datum in geding naar het oordeel van de rechtbank niet onjuist. De rechtbank is niet gebleken dat op datum in geding diagnoses zijn gemist of dat de ernst van het ziektebeeld verkeerd is ingeschat.
12. De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar standpunt dat op datum in geding sprake was van een GBM situatie als gevolg van de behandeling bij OCA. Uit de stukken van OCA volgt dat de behandeling startte op 8 mei 2023, dus ná datum in geding. Dat eiseres op een eerdere datum een (online) intake heeft gehad, maakt niet dat de behandeling vóór datum in geding is aangevangen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht vastgesteld dat eiseres op datum in geding 8 uur per dag en 40 uur per week kon werken. Van een verminderde beschikbaarheid was op datum in geding immers geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
12. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook tijdens de behandeling bij OCA geen sprake is geweest van een GBM situatie. Een urenbeperking was mogelijk wel aan de orde geweest, omdat de behandeling twee dagdelen per week duurde. Het had op de weg van eiseres gelegen om op 8 mei 2023 bij het Uwv te melden dat haar situatie was veranderd.
Arbeidskundige beoordeling
14. Tegen de arbeidskundige beoordeling heeft eiseres geen gronden ingediend, behalve dat zij de functies vanwege haar medische situatie niet kan verrichten. De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide voorbeeldfuncties archiefmedewerker (SBC-code 315132), administratief medewerker afhandelingen (515080) en schadecorrespondent (516080). De arbeidskundige beoordeling is namelijk gebaseerd op de FML van 17 september 2024 en de rechtbank gaat uit van de juistheid daarvan. In het arbeidsdeskundig rapport van 27 september 2024 is deugdelijk gemotiveerd dat de geduide voorbeeldfuncties de belastbaarheid van eiseres, zoals vastgelegd in de FML, niet overschrijden en dus passend zijn. Deze functies heeft het Uwv dan ook aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres ten grondslag mogen leggen. Eiseres is 11,3% arbeidsongeschikt.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft beslist dat eiseres op 28 februari 2023 meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd, waardoor eiseres per 14 april 2023 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 19aa van de Zw.