ECLI:NL:RBMNE:2025:544

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 januari 2025
Publicatiedatum
18 februari 2025
Zaaknummer
UTR 24/8159
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbRVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verkeersbesluit eenrichtingsweg Baarnseweg

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het verkeersbesluit van 26 november 2024 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, waarin een eenrichtingsweg is ingesteld op de Baarnseweg in Den Dolder. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vorderde een voorlopige voorziening om het besluit te schorsen.

De voorzieningenrechter beoordeelde eerst of er sprake was van een spoedeisend belang. Verzoeker stelde dat de werkzaamheden op 13 januari 2025 zouden starten en dat het besluit tot onevenredige overlast op de Paltzerweg zou leiden. De rechter oordeelde echter dat de vermeende toename van het verkeer niet dusdanig ernstig was dat het bezwaar niet kon worden afgewacht en dat er geen onomkeerbare gevolgen zouden optreden, omdat de bebording weer verwijderd kan worden als het besluit onjuist blijkt.

Daarnaast werd onderzocht of het besluit evident onrechtmatig was, wat betekent dat zonder diepgaand onderzoek duidelijk moet zijn dat het besluit niet stand zal houden. De rechter vond op basis van de stukken geen aanwijzingen voor evident onrechtmatigheid.

Gelet op het ontbreken van spoedeisend belang en evident onrechtmatigheid, werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 9 januari 2025 door de voorzieningenrechter I. Helmich.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het verkeersbesluit wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8307

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 januari 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het verkeersbesluit van 26 november 2024, waarbij is besloten tot het instellen van een eenrichtingsweg op de Baarnseweg in Den Dolder.
2. Verzoeker heeft tegen het verkeersbesluit bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek tot voorlopige voorziening hangende een bezwaarprocedure of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Spoedeisend belang
5. Verzoeker heeft over het spoedeisend belang aangevoerd dat het besluit van het college tot onevenredige overlast aan de Paltzerweg zal leiden en het college al op 13 januari 2025 met de werkzaamheden op de Baarnseweg gaat beginnen. Daarom is sprake is van spoedeisend belang volgens verzoeker.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van dusdanig spoedeisend belang dat er een voorziening moet worden getroffen. In het verkeersbesluit is besloten om door plaatsing van verkeersborden C2 en C3 uit bijlage 1 van het RVV 1990, voorzien van een onderbord met de tekst ‘uitgezonderd’ aangevuld met de symbolen van de fiets en de bromfiets een eenrichtingsweg in te stellen voor bestuurders van de Baarnseweg tussen de Paltzerweg en Dolderseweg, in de richting van de Dolderseweg, waarvan fiets/bromfietsers zijn uitgesloten. De bebording wordt geplaatst zoals aangegeven op de bij het besluit behorende situatieschets. Dat er door het instellen van eenrichtingsverkeer op de Baarnseweg meer verkeer kan gaan rijden over de Paltzerweg heeft verweerder in het verkeersbesluit onderkend. Nergens blijkt echter dat die toename van het verkeer dusdanig ernstig is dat verzoeker de uitkomst van zijn bezwaarprocedure niet kan afwachten. Ook is niet gebleken dat er sprake is van onomkeerbare gevolgen. Als het bestreden besluit onjuist blijkt te zijn, kunnen de borden die worden geplaatst vanaf 13 januari 2025 weer worden weggehaald.
Evident onrechtmatig
7. Omdat verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisen belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit van verweerder evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.
Belangenafweging
8. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.
Conclusie
9. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond en wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.