Uitspraak
1.[gedaagde sub1] ,
[gedaagde sub2],
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser was tot 2023 eigenaar van een eenmanszaak die per 2 januari 2023 door gedaagden werd overgenomen. Eiser trad vervolgens in dienst bij gedaagden tot zijn opzegging per 1 januari 2025. Eiser vordert betaling van €20.000 op grond van de koopovereenkomst en wil het concurrentiebeding buiten werking stellen of beperken.
De kantonrechter oordeelt dat de vordering tot betaling niet geschikt is voor toewijzing in kort geding, omdat onvoldoende duidelijk is dat gedaagden het bedrag verschuldigd zijn en er meerdere verweren zijn die nader onderzoek vereisen. Ook ontbreekt een spoedeisend belang voor betaling in kort geding.
Ten aanzien van het concurrentiebeding stelt de kantonrechter vast dat dit uitdrukkelijk is verbonden aan de verkoop van de onderneming en niet aan het dienstverband. Eiser heeft het beding zelf laten opstellen en aanvaard bij ondertekening. Zijn verzoek tot beperking of schorsing wordt afgewezen omdat hij zichzelf in deze situatie heeft gebracht door opzegging dienstverband.
De kantonrechter adviseert partijen mediation te proberen vanwege hun toekomstige contacten in een kleine gemeenschap. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van €678,00.
Uitkomst: De vorderingen van eiser tot betaling en beperking van het concurrentiebeding worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.