Eiseres betwist de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning uit 1880, gelegen in een plaats, en vordert een lagere waarde. De heffingsambtenaar heeft de waarde vastgesteld op €296.000 op basis van een taxatiematrix met vergelijkbare woningen uit dezelfde wijk en bouwperiode, en handhaaft deze waarde in bezwaar en beroep.
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De referentiewoningen zijn vergelijkbaar qua type en ligging, en de taxatiematrix houdt rekening met verschillen in onderhoud, doelmatigheid en voorzieningen. De door eiseres aangevoerde punten zoals het duurzaamheidsniveau, scheurvorming, bereikbaarheid van de zolder met een vlizotrap, het bouwjaar en de bruikbaarheid van de referentiewoningen leiden niet tot een ander oordeel.
De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar de bewijslast heeft voldaan en dat de beroepsgronden onvoldoende onderbouwd zijn. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de WOZ-waarde blijft gehandhaafd. Er is geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten of griffierecht.