Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, gevestigd in Utrecht,
1.Het verdere verloop van de procedure
- de moeder via videobellen, en haar advocaat in de zittingszaal;
- de vader van [minderjarige 2] met zijn advocaat;
- mevrouw [persoon1] namens de Raad;
- mevrouw [persoon2] namens de GI.
- het verzoekschrift van de Raad over [minderjarige 2] van 9 oktober 2025;
- het verweerschrift van de vader, ontvangen op 10 oktober 2025;
- het verweerschrift van de moeder, ontvangen op 10 oktober 2025.
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De standpunten
5.De beoordeling
- de beslissing op het verzoek van de moeder om de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] te beëindigen aanhouden;
- de voorlopige voogdij van de GI over [minderjarige 2] met ingang van vandaag beëindigen;
- [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht stellen van de GI voor de duur van drie maanden, tot 13 januari 2026;
- een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een pleeggezin verlenen voor de duur van zes weken, tot 24 november 2025;
- het verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] voor het overige aanhouden.
op het moment van de spoedbeslissing van 30 september 2025het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet werd uitgeoefend. De moeder was immers niet in staat haar gezag uit te oefenen omdat zij daarvoor (kennelijk) te zeer in de war was. Het was nodig om gezagsbeslissingen te nemen omdat de kinderen niet langer bij de tante konden verblijven. Hierover was echter geen gesprek met de moeder mogelijk. Met de vader van [minderjarige 1] was geen contact mogelijk omdat hij niet voorkomt in de Gemeentelijke Basisadministratie. Daarnaast waren de moeder en haar zus niet bereid (of in staat) de contactgegevens van de vader van [minderjarige 2] aan de hulpverleners en de Raad te verstrekken. De kinderrechter neemt aan dat dit met name het telefoonnummer van de vader van [minderjarige 2] betreft. Zijn adres staat immers in de Gemeentelijke Basisadministratie. Ofschoon het hier gaat om een verstrekkende maatregel is de kinderrechter van oordeel dat deze maatregel, gegeven de omstandigheden, gerechtvaardigd was. Er moesten namelijk met urgentie beslissingen worden genomen en er was geen ouder met gezag beschikbaar of bereikbaar die daarover met de Raad kon overleggen. Op dat moment was voldaan aan de wettelijke criteria voor voorlopige voogdij over beide kinderen. De kinderrechter wijst dan ook het verzoek van de moeder en de vader van [minderjarige 2] om de beslissing over de voorlopige voogdij in te trekken, af.
op dit momentnog voldaan wordt aan de wettelijke criteria voor voorlopige voogdij ( [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ), en, als dat niet zo is, of er dan wel voldaan wordt aan de wettelijke criteria voor een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing ( [minderjarige 2] ).
uiterlijk 22 oktober 2025aan de kinderrechter, de GI en de advocaat van de moeder te verstrekken. Dan zullen de advocaat van de moeder en de GI in de gelegenheid worden gesteld om
uiterlijk 27 oktober 2025op die informatie te reageren, waarna de kinderrechter een beslissing zal nemen, zo nodig na een (vervolg)behandeling van het verzoek tijdens een zitting.
uiterlijk 13 november 2025de rechtbank en de andere belanghebbenden te informeren over de stand van zaken en daarbij aan te geven of hij het verzoek handhaaft, wijzigt of intrekt.
6.De beslissing
uiterlijk 22 oktober 2025de kinderrechter, de advocaat van de moeder en de GI te informeren over de actuele psychische toestand van de moeder;
uiterlijk 27 oktober 2025op te reageren;
uiterlijk 13 november 2025de kinderrechter en de andere belanghebbenden te informeren over de stand van zaken en daarbij aan te geven of hij het verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] handhaaft, wijzigt of intrekt;
op 20 november 2025 om 13:30 uurin het gerechtsgebouw van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, aan Vrouwe Justitiaplein 1 in Utrecht, alwaar het resterende verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] zal worden behandeld, evenals het verzoek van de moeder over de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] ;
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.