ECLI:NL:RBMNE:2025:5526

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
C/16/600374 / FO RK 25-1218 en C/16/600910 / JE RK 25-1539
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over voorlopige voogdij en ondertoezichtstelling van minderjarigen in het kader van gezagskwesties

Op 13 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak betreffende de voorlopige voogdij en ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, die betrokken is bij de zorg voor de kinderen. De kinderrechter heeft besloten om de voorlopige voogdij over [minderjarige 2] te beëindigen, omdat de vader met gezag in staat is om het gezag uit te oefenen. De kinderrechter heeft [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling (GI) voor de duur van drie maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor zes weken. De beslissing over de voorlopige voogdij van [minderjarige 1] is aangehouden, omdat er meer informatie nodig is over de psychische toestand van de moeder, die momenteel in een crisisopvang verblijft. De kinderrechter heeft de Raad verzocht om informatie in te winnen over de moeder's situatie en heeft een zitting gepland voor 20 november 2025 om de verdere ontwikkelingen te bespreken. De kinderrechter heeft benadrukt dat het van belang is om de band tussen de halfbroers te behouden en dat er zorgvuldig moet worden omgegaan met de opvoedsituatie van de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummers: C/16/600374 / FO RK 25-1218 en C/16/600910 / JE RK 25-1539
Datum uitspraak: 13 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over voorlopige voogdij, een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, Midden-Nederland, Utrecht,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats 1] (Afghanistan),
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.S. Polat,
[de vader],
hierna te noemen de vader van [minderjarige 2] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. J. Celen in Den Haag,
de gecertificeerde instelling
SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, gevestigd in Utrecht,
hierna te noemen de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure tot 30 september 2025 blijkt uit de beschikking van de kinderrechter van 30 september 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling (zitting) met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder via videobellen, en haar advocaat in de zittingszaal;
  • de vader van [minderjarige 2] met zijn advocaat;
  • mevrouw [persoon1] namens de Raad;
  • mevrouw [persoon2] namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft niet direct na de mondelinge behandeling uitspraak gedaan. De aanwezige partijen konden op maandag 13 oktober 2025 om 13.30 uur de griffie van de rechtbank bellen om de uitspraak te horen. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.
1.4.
De Raad heeft tijdens de zitting meegedeeld dat hij zijn verzoek ten aanzien van [minderjarige 2] wil wijzigen. Hierop hebben beide ouders kunnen reageren. De kinderrechter heeft de Raad in de gelegenheid gesteld de schriftelijke bevestiging van zijn verzoek uiterlijk op dezelfde datum, 9 oktober 2025, bij de rechtbank in te dienen. Beide ouders kregen de gelegenheid uiterlijk 10 oktober 2025 hierop te reageren.
1.5.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
  • het verzoekschrift van de Raad over [minderjarige 2] van 9 oktober 2025;
  • het verweerschrift van de vader, ontvangen op 10 oktober 2025;
  • het verweerschrift van de moeder, ontvangen op 10 oktober 2025.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader van [minderjarige 2] zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] . Bij beschikking van 1 juni 2022 van rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, is de moeder belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
De moeder verblijft sinds 26 september 2025 met een crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg bij GGZ-Centraal. De rechtbank heeft op 29 september 2025 een machtiging gegeven tot voortzetting van de crisismaatregel tot 20 oktober 2025.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 september 2025 de GI belast met de voorlopige voogdij over Alimentatie en [minderjarige 2] , zonder de belanghebbenden te horen.
2.4.
De kinderrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling op 9 oktober 2025 de moeder, de vader, de Raad en de GI gehoord op de spoedbeslissing van de kinderrechter van 30 september 2025.

3.Het verzoek

Ten aanzien van [minderjarige 1]
3.1.
De Raad handhaaft het verzoek om de GI te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van [minderjarige 2]
3.2.
De Raad wil blijkens zijn mondelinge mededeling tijdens de zitting van 9 oktober 2025 en zijn verzoekschrift van diezelfde datum zijn verzoek met betrekking tot [minderjarige 2] zo wijzigen dat hij nu verzoekt om [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van drie maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor [minderjarige 2] in een pleeggezin voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
De Raad wil zijn verzoek over [minderjarige 2] wijzigen, omdat de vader van [minderjarige 2] inmiddels, en anders dan eerder het geval was, in beeld is gekomen als gezaghebbende vader voor [minderjarige 2] . Daarom is een maatregel van voorlopige voogdij volgens de Raad niet meer passend. Wel is de voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in het pleeggezin nodig omdat onvoldoende duidelijk is hoe de thuissituatie van de vader is en of hij voldoende kan zorgen voor [minderjarige 2] . De Raad wil dit in de komende periode onderzoeken. Daarnaast vindt de Raad het onwenselijk om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] als halfbroers plotseling van elkaar te scheiden.

4.De standpunten

4.1.
De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat de maatregel van voorlopige voogdij van beide kinderen moet worden ingetrokken. Volgens de moeder is de maatregel in dit geval veel te ingrijpend, zeker nu de maatregel drie maanden geldt. Zij vraagt zich af waarom de Raad niet kon volstaan met een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, nu er ten tijde van het verzoek geen noodzakelijke gezagsbeslissingen genomen behoefden te worden. De moeder is daarnaast momenteel in staat om het gezag uit te oefenen.
4.2.
De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat de maatregel van voorlopige voogdij ten aanzien van [minderjarige 2] ingetrokken of opgeheven moet worden. De vader is gezaghebbende ouder van [minderjarige 2] en wil zijn ouderlijke verantwoordelijkheid uitoefenen. Subsidiair verzoekt de vader de Raad onderzoek te doen naar de opvoedsituatie bij de vader, zodat [minderjarige 2] bij hem kan wonen in plaats van bij het pleeggezin.
4.3.
De GI heeft zich op het standpunt gesteld dat er eerst vanuit rust goed onderzocht moet worden wat in het belang van de kinderen is. Naar omstandigheden gaat het goed met de kinderen. De GI weet nog weinig over de kinderen, aangezien zij nog maar kort betrokken is. De GI zou het schadelijk vinden om de kinderen te scheiden, met name omdat zij ziet dat [minderjarige 1] zorgt voor [minderjarige 2] . De GI heeft van GGZ-Centraal gehoord dat men contact tussen de moeder en de kinderen op dit moment niet in het belang van de kinderen vindt, omdat de moeder bijvoorbeeld tegen [minderjarige 1] zegt dat hij snel weer naar huis komt. De GI wil een contactregeling opzetten, maar moet gelet op het advies van GGZ-Centraal goed onderzoeken wat er in dat opzicht in het belang van de kinderen is.

5.De beoordeling

De beslissingen
5.1.
De kinderrechter zal:
  • de beslissing op het verzoek van de moeder om de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] te beëindigen aanhouden;
  • de voorlopige voogdij van de GI over [minderjarige 2] met ingang van vandaag beëindigen;
  • [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht stellen van de GI voor de duur van drie maanden, tot 13 januari 2026;
  • een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een pleeggezin verlenen voor de duur van zes weken, tot 24 november 2025;
  • het verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] voor het overige aanhouden.
5.2.
De kinderrechter zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt.
De spoedbeslissing voorlopige voogdij
5.3.
Bij beschikking van 30 september 2025 heeft de kinderrechter de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belast voor de duur van drie maanden zonder voorafgaand de belanghebbenden te horen, omdat een mondelinge behandeling niet kon worden afgewacht. De belanghebbenden zijn tijdens de zitting van 9 oktober 2025 in de gelegenheid gesteld om daarover te worden gehoord.
5.4.
De Raad schrijft in zijn verzoekschrift van 9 oktober 2025 dat hij het verzoek over de voorlopige voogdij ten aanzien van [minderjarige 2] wil wijzigen in een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Over het verzoek over de voorlopige voogdij heeft de kinderrechter op 30 september 2025 echter al een beslissing genomen. Dit betekent dat de Raad dit verzoek nu niet meer kan wijzigen. Wel kan de Raad een nieuw verzoek bij de rechtbank indienen. De kinderrechter beschouwt dan ook het verzoekschrift van de Raad van 9 oktober 2025 als een nieuw verzoek. Zij zal over dit verzoek een beslissing nemen. Zie daarvoor hierna onder 5.14. en verder.
5.5.
De moeder heeft in haar verweerschrift van 10 oktober 2025 tegen het verzoek van de Raad over de voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , ook nog verweer gevoerd tegen de voorlopige-voogdijmaatregel. Deze maatregel was echter al besproken op de zitting van 9 oktober 2025 en de kinderrechter had de moeder geen toestemming gegeven om daar ook nog op in te gaan in haar verweerschrift van 10 oktober 2025. Met de daarin opgenomen verweren houdt de kinderrechter dan ook geen rekening in deze beschikking.
5.6.
Zowel de moeder als de vader verzoekt de kinderrechter om de maatregel van voorlopige voogdij in te trekken. De kinderrechter moet dan ook in de eerste plaats beoordelen of er feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat er op 30 september 2025 niet aan de wettelijke vereisten voor de beslissing was voldaan, en dat de spoedbeslissing van 30 september 2025 zou moeten worden herroepen.
5.7.
De kinderrechter stelt voorop dat zij een gecertificeerde instelling kan belasten met de voorlopige voogdij over een minderjarige indien blijkt dat het gezag niet over hem wordt uitgeoefend en het dringend en onverwijld noodzakelijk is om in het gezag over de minderjarige te voorzien en op deze manier de belangen van de minderjarige te (kunnen) behartigen. [1]
5.8.
De kinderrechter heeft gehoord en gelezen dat de politie de moeder op 24 september 2025 op straat heeft aangetroffen in [woonplaats 1] . Zij was volgens de politie verward en er was moeilijk contact te krijgen met haar. De politie heeft toen een ambulance laten komen. Op 25 september 2025 werd de moeder wederom in verwarde toestand aangetroffen, nu in de school waar zij een MBO-opleiding volgt. Zij was onaanspreekbaar. Daarna is de moeder opgenomen met een crisismaatregel bij GGZ-centraal. Omdat de moeder in haar eentje de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] droeg, ving hun tante, de zus van de moeder, de kinderen op. Op 29 september 2025 oordeelde Veilig Thuis dat het gezin van de tante geen veilige plek was voor de kinderen. Het ouderlijk gezag van deze tante over twee van haar kinderen is namelijk in het verleden beëindigd, en er loopt nu een onderzoek naar het derde kind van de tante. Bovendien waren er signalen van onveiligheid in het gezin die te maken hadden met de partner van de tante. Veilig Thuis heeft daarom op 30 september 2025 geprobeerd met de moeder over de situatie te praten om te kijken of er nog andere opvangmogelijkheden binnen het netwerk van moeder zijn. De moeder was echter nog onaanspreekbaar en kon geen antwoord geven op vragen met betrekking tot haar kinderen. Het lukte Veilig Thuis daarnaast niet om contact te leggen met de vaders van de kinderen, omdat de moeder de contactgegevens van deze vaders niet kon of wilde verstrekken. Daarom heeft Veilig Thuis de Raad verzocht om een maatregel van voorlopige voogdij te verzoeken.
5.9.
Naar het oordeel van de kinderrechter maken de voorgaande omstandigheden dat
op het moment van de spoedbeslissing van 30 september 2025het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet werd uitgeoefend. De moeder was immers niet in staat haar gezag uit te oefenen omdat zij daarvoor (kennelijk) te zeer in de war was. Het was nodig om gezagsbeslissingen te nemen omdat de kinderen niet langer bij de tante konden verblijven. Hierover was echter geen gesprek met de moeder mogelijk. Met de vader van [minderjarige 1] was geen contact mogelijk omdat hij niet voorkomt in de Gemeentelijke Basisadministratie. Daarnaast waren de moeder en haar zus niet bereid (of in staat) de contactgegevens van de vader van [minderjarige 2] aan de hulpverleners en de Raad te verstrekken. De kinderrechter neemt aan dat dit met name het telefoonnummer van de vader van [minderjarige 2] betreft. Zijn adres staat immers in de Gemeentelijke Basisadministratie. Ofschoon het hier gaat om een verstrekkende maatregel is de kinderrechter van oordeel dat deze maatregel, gegeven de omstandigheden, gerechtvaardigd was. Er moesten namelijk met urgentie beslissingen worden genomen en er was geen ouder met gezag beschikbaar of bereikbaar die daarover met de Raad kon overleggen. Op dat moment was voldaan aan de wettelijke criteria voor voorlopige voogdij over beide kinderen. De kinderrechter wijst dan ook het verzoek van de moeder en de vader van [minderjarige 2] om de beslissing over de voorlopige voogdij in te trekken, af.
5.10.
De kinderrechter moet vervolgens beoordelen of er
op dit momentnog voldaan wordt aan de wettelijke criteria voor voorlopige voogdij ( [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ), en, als dat niet zo is, of er dan wel voldaan wordt aan de wettelijke criteria voor een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing ( [minderjarige 2] ).
Ten aanzien van [minderjarige 1]
5.11.
Op dit moment acht de kinderrechter zich onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen over het verzoek van de moeder om de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] te beëindigen, zodat de kinderrechter de beslissing daarop zal aanhouden. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.12.
Zoals de moeder heeft aangevoerd is voorlopige voogdij een ingrijpende maatregel. De kinderrechter vindt dan ook dat moet worden afgeschaald naar een minder ingrijpende maatregel, zodra dat mogelijk is. Op dit moment kan de kinderrechter echter niet beoordelen of de moeder inmiddels weer in staat is om het gezag uit te oefenen over [minderjarige 1] . Het is de kinderrechter namelijk op de zitting niet duidelijk geworden of en in hoeverre de moeder echt begrijpt wat er tegen haar wordt gezegd en wat er aan haar wordt gevraagd. De advocaat van de moeder heeft erop gewezen dat de moeder de GI toestemming heeft gegeven om met haar behandelaren contact op te nemen, maar de kinderrechter is het niet met de advocaat eens dat je hieruit kunt afleiden dat de moeder niet meer verward is. Uit de stukken leidt de kinderrechter af dat ten tijde van de opname van de moeder het vermoeden bestond dat de moeder in een psychose verkeerde. De kinderrechter vindt het nodig om te weten of daarvan nog steeds sprake is. Pas dan kan zij namelijk beoordelen of de moeder weer in staat is om het gezag uit te oefenen. Daarom verzoekt de kinderrechter de Raad om hierover informatie in te winnen bij de behandelaren van de moeder en deze informatie
uiterlijk 22 oktober 2025aan de kinderrechter, de GI en de advocaat van de moeder te verstrekken. Dan zullen de advocaat van de moeder en de GI in de gelegenheid worden gesteld om
uiterlijk 27 oktober 2025op die informatie te reageren, waarna de kinderrechter een beslissing zal nemen, zo nodig na een (vervolg)behandeling van het verzoek tijdens een zitting.
Ten aanzien van [minderjarige 2]
Beëindiging voorlopige voogdij
5.13.
De kinderrechter zal de maatregel van voorlopige voogdij over [minderjarige 2] beëindigen met ingang van vandaag, 13 oktober 2025. Dit omdat gebleken is dat de vader met gezag in staat is om het gezag over [minderjarige 2] uit te oefenen. Dat maakt dat niet langer voldaan is aan de wettelijke criteria voor voorlopige voogdij. Op het subsidiaire verzoek van de vader om een Raadsonderzoek te laten uitvoeren hoeft daarmee niet meer te worden beslist.
Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
5.14.
De kinderrechter zal [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht stellen van de GI voor de duur van drie maanden, dus tot 13 januari 2026. Ook zal de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een pleeggezin verlenen voor de duur van zes weken, dus tot 24 november 2025. Hierna legt de kinderrechter deze beslissing uit.
5.15.
Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 2] . Deze bestaat eruit dat de moeder van [minderjarige 2] als gevolg van ernstige verwardheid met een rechterlijke machtiging is opgenomen in een psychiatrische inrichting. Het is onduidelijk wat de kinderen gemerkt hebben van de verwardheid van de moeder, die naar inschatting van de kinderrechter een aantal weken of maanden zal hebben voortgeduurd. Daarnaast is het onduidelijk of de moeder op korte termijn weer voor [minderjarige 2] (en [minderjarige 1] ) kan zorgen. Verder vindt de kinderrechter het zorgelijk dat de vader van [minderjarige 2] kennelijk sinds het uiteengaan van de ouders enkele maanden geleden geen enkel contact meer heeft gehad met de kinderen en de moeder. Dit terwijl de kinderen volgens de vader voorheen wekelijks gedurende het hele weekend bij de vader verbleven. Ook vindt de kinderrechter het zorgelijk dat de vader kennelijk helemaal niets heeft meegekregen van de geestelijke toestand van de moeder. Volgens de moeder heeft de vader sinds het uiteengaan niks meer van zich laten horen, maar volgens de vader houdt de moeder het contact af. Deze omstandigheden maken dat de kinderrechter zich ernstig zorgen maakt over de ontwikkeling van [minderjarige 2] . De komende periode zal in kaart moeten worden gebracht wat er speelt in het gezin en wat dat betekent voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige 2] .
5.16.
De kinderrechter zal een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige 2] verlenen, zodat de plaatsing van [minderjarige 2] in het pleeggezin geborgd is. De kinderen kunnen voorlopig in het huidige pleeggezin blijven. Gelet op de omstandigheden genoemd onder 5.15. is de kinderrechter het eens met de GI en de Raad dat eerst goed – maar ook voortvarend – moet worden onderzocht of en onder welke voorwaarden [minderjarige 2] bij de vader geplaatst kan worden, voordat [minderjarige 2] opnieuw van opvoedomgeving wisselt. Daarbij zal ook een relevante overweging moeten zijn dat er sprake is van een sterke band tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat zij recht hebben op family life met elkaar. [2] Het kan ook blijken dat de kinderen weer bij de moeder kunnen wonen, wanneer haar geestelijke toestand dat toelaat.
5.17.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] verlenen voor de duur van zes weken en de beslissing op het verzoek over de uithuisplaatsing voor het overige aanhouden tot de zitting van 20 november 2025. De kinderrechter zal op die zitting dan rekening kunnen houden met de ontwikkelingen in de situatie van de moeder en de opgedane inzichten over de situatie van de vader.
5.18.
De kinderrechter verzoekt de Raad om
uiterlijk 13 november 2025de rechtbank en de andere belanghebbenden te informeren over de stand van zaken en daarbij aan te geven of hij het verzoek handhaaft, wijzigt of intrekt.

6.De beslissing

De kinderrechter:
ten aanzien van [minderjarige 1] :
6.1.
houdt de beslissing op het verzoek van de moeder om de voorlopige voogdij van de GI over [minderjarige 1] te beëindigen aan;
6.2.
verzoekt de Raad om
uiterlijk 22 oktober 2025de kinderrechter, de advocaat van de moeder en de GI te informeren over de actuele psychische toestand van de moeder;
6.3.
verzoekt de advocaat van de moeder en de GI om daar
uiterlijk 27 oktober 2025op te reageren;
ten aanzien van [minderjarige 2] :
6.4.
beëindigt met ingang van vandaag, 13 oktober 2025, de voorlopige voogdij van de GI over [minderjarige 2] ;
6.5.
stelt [minderjarige 2] met ingang van vandaag, 13 oktober 2025, voorlopig onder toezicht van de GI voor de duur van drie maanden, tot 13 januari 2026;
6.6.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een pleeggezin voor de duur van zes weken, tot 24 november 2025;
6.7.
verklaart de beslissingen onder 6.5. en 6.6. uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
houdt het verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aan;
6.9.
verzoekt de Raad om
uiterlijk 13 november 2025de kinderrechter en de andere belanghebbenden te informeren over de stand van zaken en daarbij aan te geven of hij het verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] handhaaft, wijzigt of intrekt;
ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] :
6.10.
roept de Raad, de GI, de vader van [minderjarige 2] en de moeder op voor de zitting van mr. A.C. van den Boogaard
op 20 november 2025 om 13:30 uurin het gerechtsgebouw van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, aan Vrouwe Justitiaplein 1 in Utrecht, alwaar het resterende verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] zal worden behandeld, evenals het verzoek van de moeder over de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] ;
6.11.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2025, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 23 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
AWSS

Voetnoten

1.Artikel 1:241 BW.
2.Artikel 8 EVRM.