ECLI:NL:RBMNE:2025:5527

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
596010 FV RK 25-1657
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgmachtiging op basis van de Wvggz voor een betrokkene met een verslavingsstoornis

Op 2 oktober 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een beschikking gegeven in een zaak betreffende een zorgmachtiging op basis van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbank verleent deze zorgmachtiging ondanks het oordeel van een onafhankelijk psychiater en deskundige dat de betrokkene wilsbekwaam is. De betrokkene, geboren in 1990, lijdt aan een verslavingsstoornis, specifiek aan amfetamine. De rechtbank stelt vast dat de verslaving de wil van de betrokkene beïnvloedt, waardoor zij niet in staat is om een redelijke waardering van haar belangen te maken ten aanzien van de benodigde zorg. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken en deskundigenrapporten, waarin wordt betoogd dat de verslaving de betrokkene in een isolement heeft gedreven en haar maatschappelijke functioneren ernstig belemmert. Ondanks de betwisting van de wilsbekwaamheid door de deskundige, concludeert de rechtbank dat de betrokkene niet bekwaam is haar wil ten opzichte van de zorg te bepalen. De rechtbank wijst verschillende vormen van verplichte zorg toe, waaronder het toedienen van medicatie en het beperken van de bewegingsvrijheid. De zorgmachtiging is geldig tot en met 2 april 2026. De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken, met de mogelijkheid tot cassatie.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/596010 / FV RK 25-1657
Datum uitspraak: 2 oktober 2025
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [betrokkene] ,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.G.J. Booij uit Vleuten.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Voor het verloop van de procedure tot nu toe verwijst de rechtbank naar haar beschikking van 1 augustus 2025. Daarin heeft de rechtbank onder meer A. Batalla (als psychiater werkzaam bij het UMC Utrecht) tot deskundige benoemd.
1.2.
Op 12 september 2025 heeft de rechtbank het deskundigenbericht ontvangen.
1.3.
De behandeling is voortgezet op de zitting van 29 september 2025. Aanwezig waren:
- [betrokkene] , bijgestaan door haar advocaat;
- [A] , verpleegkundig specialist;
- [B] , casemanager.
1.4.
De rechter heeft op 2 oktober 2025 uitspraak gedaan en aan partijen een zogeheten kennisgeving van de uitspraak gestuurd. Het onderstaande is een schriftelijke uitwerking van de beslissing.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De rechtbank heeft de deskundige gevraagd antwoord te geven op de volgende vragen:
1. van welke psychische stoornis(sen) is bij betrokkene sprake, en op grond van welke symptomen, gedragingen en feiten is tot dat oordeel gekomen;
2. welk (aanzienlijk risico op) ernstig nadeel vloeit voort uit deze stoornis(sen);
3. is er sprake van wilsbekwaamheid bij betrokkene ten aanzien van haar verzet tegen de benodigde zorg ter afwending van het ernstig nadeel.
Psychische stoornis
2.2.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of [betrokkene] een psychische stoornis heeft in de zin van de Wvggz. Dat is naar haar oordeel het geval.
2.3.
[betrokkene] is verslaafd aan amfetamine. Zoals reeds overwogen in rechtsoverweging 3.3. van voornoemde beschikking is een verslaving aan middelen, zoals drugs, op zichzelf niet voldoende voor toepassing van de Wvggz. Daarvoor moet sprake zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat aan een betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van een betrokkene overwegend beheerst. Deze psychische stoornis kan voortvloeien uit of samenhangen met de verslaving aan middelen. Het kan ook gaan om een van de verslaving losstaande psychische stoornis van andere aard (‘comorbiditeit’).
2.4.
In eerdergenoemde beschikking heeft de rechtbank vastgesteld dat [C] , de psychiater die de medische verklaring van 13 juni 2025 heeft opgesteld, twijfelt of [betrokkene] amfetamineafhankelijkheid een verslavingsstoornis is in de zin van de Wvggz. Hij overweegt daar onder andere toe dat [betrokkene] de nadelen van haar amfetaminegebruik onderkent, maar er ook de voordelen van ziet. Hoewel zij grote moeite heeft te stoppen, is zij volgens [C] geen “willoos werktuig”. [D] , de behandelend psychiater, meent dat wel sprake is van een stoornis in de zin van de wet.
Uiteindelijk is de vraag of sprake is van een zodanige stoornis, een juridische vraag, zij het dat voor de beantwoording ervan medische input nodig is. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.6. en 3.7. van de beschikking van 1 augustus 2025 overwogen dat zij geneigd is de behandelend psychiater hierin te volgen, mede gelet op wat hierover op zitting is besproken.
2.5.
In het deskundigenbericht komt de deskundige tot de conclusie dat [betrokkene] een verslavingsstoornis heeft in de zin van de Wvggz. Op basis hiervan en op basis van wat reeds in de beschikking van 1 augustus 2025 hierover is overwogen, maakt de rechtbank deze conclusie tot de hare.
Ernstig nadeel
2.6.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of gedrag als gevolg van deze stoornis ernstig nadeel veroorzaakt. Zij is van oordeel dat ook dit het geval is. Dat nadeel is met name gelegen in maatschappelijke teloorgang. [betrokkene] leeft als gevolg van haar verslaving in een isolement en is niet in staat een maatschappelijke rol te vervullen. Zij kan zich niet aan afspraken houden door haar gebruik van amfetamine, waarbij ze afwisselend of vermoeid of te erg onder invloed is van de drug. De rechtbank baseert zich hierbij (ook) op het deskundigenbericht.
Wilsbekwaam verzet
2.7.
Om het ernstig nadeel af te wenden, heeft [betrokkene] zorg nodig. Ze wil geen hulp. Volgens haar is de tijd nog niet rijp om af te kicken. Zij wil dat op een gegeven moment wel, maar niet nu. Vanwege [betrokkene] verzet is in beginsel verplichte zorg nodig, tenzij er redenen zijn dit verzet te honoreren.
2.8.
In rechtsoverweging 3.14. en verder van eerdergenoemde beschikking heeft de rechtbank uiteengezet onder welke omstandigheden de wensen en voorkeuren van een betrokkene ten aanzien van de verplichte zorg niet worden gehonoreerd.
2.9.
Een van de omstandigheden (de overige in de rechtspraak ontwikkelde omstandigheden spelen hier niet) waaronder [betrokkene] wensen en voorkeuren niet worden gehonoreerd, is als zij niet tot een redelijke waardering van haar belangen in staat is. Met andere woorden: als zij niet wilsbekwaam is, kan aan haar verzet voorbij gegaan worden.
2.10.
Zoals gezegd, heeft [betrokkene] een verslavingsstoornis in de zin van de Wvggz. In r.o. 3.19. van meermalen genoemde beschikking heeft de rechtbank zich de vraag gesteld in hoeverre [betrokkene] dan nog ‘bekwaam’ is haar ‘wil’ te bepalen. Immers staat dan vast dat niet alleen haar denken en voelen, maar ook haar ‘willen’ ernstig beïnvloed wordt door de stoornis. De rechtbank heeft de deskundige gevraagd deze cruciale vraag te beantwoorden.
2.11.
Volgens de deskundige is [betrokkene] wilsbekwaam. Hij schrijft daarover op pagina 4 van zijn rapport:
[betrokkene] is in staat tot een redelijke waardering van haar belangen waarbij ze inziet wat voor gevolgen de verslaving heeft voor haar maatschappelijk bestaan en welke lichamelijke gevolgen er zijn (zoals bij vorige vraag omschreven). Ze weegt deze belangen af tegen de gevolgen van de gedwongen zorg die haar opgelegd zou worden, namelijk:
1. Moeten verblijven op een afdeling, waarbij zij een eerdere gedwongen opname zeer onprettig heeft ervaren.
2. Langere tijd geen zorg kunnen dragen voor haar huisdieren. Hetgeen nu het voornaamste in [betrokkene] haar leven is wat haar zingeving biedt en er voor zorgt dat ze gemotiveerd is haar financiën op orde te houden en voor zichzelf te zorgen.
3. [betrokkene] is bang dat het stoppen met dexamfetamine zorgt voor een toename aan suïcidale gedachten en sombere gedachten a.g.v. onverwerkte rouw door het overlijden van haar moeder in 2012. Hier had ze namelijk veel last van voor het gebruik van dexamfetamine.
Daarnaast geeft ze aan wel de wens te hebben om ergens in de komende jaren te stoppen met de dexamfetamine maar denkt zij dat zij op dit moment onvoldoende gemotiveerd is om een dergelijke poging te laten slagen. Dit is haar enkele jaren geleden met alcohol en tabak wel gelukt. Ze heeft voor zichzelf wel de grens gesteld dat zij wil voorkomen dat er onomkeerbare lichamelijke schade ontstaat.
Aangezien [betrokkene] zelf aangeeft dat haar motivatie en wilskracht op dit moment onvoldoende zijn om te stoppen met dexamfetamine, hoewel zij dit op termijn wel zou willen, lijkt het "willen" mogelijk beïnvloed door het middelengebruik. Dit zou implicaties kunnen hebben voor haar wilsbekwaamheid t.a.v. behandeling. Patiënte ziet deze verandering echter zelf in en weegt ook af of zij dit zou willen ondervangen met gedwongen zorg. Ze geeft daarbij duidelijk aan dit niet te willen, vanwege de eerder beschreven nadelen.
2.12.
De rechtbank neemt in principe een rapport van een door haar benoemde deskundige als uitgangspunt. Dit kan anders zijn als een dergelijk rapport qua inhoud of de manier waarop het tot stand gekomen is, niet voldoet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs gesteld mogen worden. Zo mag van een rapport van een deskundige worden verwacht dat het onpartijdig, consistent, inzichtelijk en logisch is. Ook de manier waarop de deskundige zijn werkzaamheden heeft verricht, kan afbreuk doen aan de waarde van een deskundigenrapport (zie onder meer rechtbank Midden-Nederland 7 oktober 2010, ECLI:NL:RBMNE:2020:4285). De rechtbank is van oordeel dat het deskundigenrapport wat betreft de beantwoording van de derde vraag niet begrijpelijk is. Zij overweegt daartoe als volgt.
2.13.
De rechtbank stelt vast dat de deskundige eerst zegt dat [betrokkene] de (lichamelijke en maatschappelijke) gevolgen van haar verslaving afweegt tegen de nadelen van de gedwongen zorg. Ze wil wel ergens in de komende jaren wel stoppen, maar is daarvoor nu onvoldoende gemotiveerd. [betrokkene] stelt een grens bij onomkeerbare lichamelijke schade. Op de zitting heeft zij gezegd dat deze grens bijvoorbeeld bereikt is op het moment dat haar tanden eruit vallen.
2.14.
De deskundige schrijft vervolgens dat het ‘willen’ van [betrokkene] mogelijk beïnvloed lijkt te zijn door het middelgebruik. Dit zou volgens hem implicaties kunnen hebben voor haar wilsbekwaamheid ten aanzien van de behandeling. Desondanks concludeert de deskundige dat dit niet het geval is, omdat [betrokkene] “deze verandering” zelf inziet en ook afweegt of zij dit (de rechtbank begrijpt: deze verandering) zou willen ondervangen met gedwongen zorg.
2.15.
Deze conclusie is voor de rechtbank onnavolgbaar. Het is onbegrijpelijk waarom het één (de wilsbekwaamheid) uit het ander (de verandering zelf inzien en “dit” afwegen) volgt. Het woord verandering komt volledig uit de lucht vallen. Wat de deskundige met deze verandering, en dus met deze zin, bedoelt, is voor de rechtbank niet duidelijk. Ook is het verband tussen het inzien van de verandering en het wilsbekwaam zijn niet duidelijk. De deskundige ziet (kennelijk) in het afwegen van belangen een aanwijzing dat [betrokkene] willen niet zodanig beïnvloed is door haar amfetamineverslaving dat zij haar eigen wil ten aanzien van de behandeling niet meer kan bepalen. Waarom dat zo is, legt de deskundige niet uit, terwijl juist dat belangrijk is. Dit klemt temeer omdat de deskundige ook aangeeft dat [betrokkene] verslaving (de rechtbank begrijpt: negatieve) gevolgen kan hebben voor haar wilsbekwaamheid.
2.16.
Op de vraag in hoeverre [betrokkene] nog haar wil kan bepalen ten opzichte van een behandeling tegen de verslaving als haar wil door die verslaving wordt beïnvloed, geeft de deskundige een naar het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk antwoord. Zij volgt de conclusie van de deskundige op dit punt dan ook niet. Het is namelijk niet goed te begrijpen hoe een persoon wiens willen is ‘overgenomen’ door de verslaving, nog wilsbekwaam kan zijn ten aanzien van de behandeling tegen de verslaving. Het is met andere woorden de verslaving die spreekt.
2.17.
De rechtbank gaat er – gelet op al het voorgaande – van uit dat [betrokkene] niet bekwaam is haar wil ten opzichte van de zorg te bepalen. Zij gaat dan ook voorbij aan [betrokkene] verzet tegen verplichte zorg.
Vormen van verplichte zorg
2.18.
De rechtbank is van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van vocht en voeding;
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op [betrokkene] ;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedragsbeïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- controleren op de aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat [betrokkene] iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- beperken van het recht op het ontvangen van bezoek;
- opnemen in een accommodatie.
Proportionaliteit, subsidiariteit en effectiviteit
2.19.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Mr. Booij heeft gewezen op het contra-effect van dwang bij persoonlijkheidsproblematiek. De rechtbank verwacht dat het wel mee zal vallen met dit contra-effect, omdat Altrecht een instelling heeft gevonden die gespecialiseerd is in persoonlijkheidsproblematiek en verslaving. Bovendien kan die persoonlijkheidsproblematiek pas behandeld worden als de verslaving is behandeld.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent een zorgmachtiging voor
[betrokkene], wat inhoudt dat de bij 2.18. genoemde maatregelen mogen kunnen worden toegepast,
3.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 2 april 2026.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2025 door mr. M.E. Heinemann, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Minkjan als griffier, en is op schrift gesteld op 16 oktober 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.