ECLI:NL:RBMNE:2025:5534

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
UTR 23/5193
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:13 AwbWet waardering onroerende zakenHoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde en afwijzing immateriële schadevergoeding

In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een appartement uit 1900 centraal. De heffingsambtenaar had de waarde voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op €410.000,-, terwijl eiseres een lagere waarde van €379.000,- bepleitte. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar met een taxatiematrix, taxatierapport en toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.

Eiseres voerde daarnaast aan dat de opbrengstlimiet was overschreden bij de heffingen, maar deze beroepsgrond wordt door de rechtbank buiten beschouwing gelaten wegens te late indiening en het ontbreken van een specifiek bezwaar tegen die aanslagen. Tevens verzocht eiseres om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de termijn ruim zeven maanden werd overschreden, bleef het financiële belang onder de wettelijke bagatelgrens, waardoor de rechtbank het verzoek afwijst.

De rechtbank benadrukt dat het procedeergedrag van de gemachtigde van eiseres strijdig was met de goede procesorde omdat concrete gronden pas op de zitting werden aangevoerd. Alleen eerder schriftelijk ingediende en geconcretiseerde gronden werden in de beoordeling betrokken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5193

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente], verweerder
(gemachtigde: D. Koopmans).

Inleiding

1.1
In de beschikking van 28 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van het object [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 410.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022.
1.2
De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan eiseres als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.3
In de uitspraak op bezwaar van 17 oktober 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hierbij is de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
1.4
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift overlegd.
1.5
De zaak is behandeld op de zitting van 30 juni 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [taxateur] , taxateur.

Overwegingen

Procedeergedrag
2.1
Het door de gemachtigde van eiseres opgestelde beroepschrift, de ‘pinpointbrief’ en ook zijn andere brieven staan vol met algemene, weinig inhoudelijke, dikwijls onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen. In elke zaak van deze gemachtigde worden min of meer dezelfde brieven gestuurd. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres er al eerder op gewezen dat zij daar niets mee kan. [1]
2.2
Pas op zitting wordt door de gemachtigde van eiseres concreet gemaakt waarom eiseres het niet eens is met de uitspraak op bezwaar. Nadat de heffingsambtenaar in de beroepsfase de WOZ-waarde nader heeft onderbouwd met het verweerschrift (ontvangen door de rechtbank op 1 oktober 2024 en doorgestuurd naar de gemachtigde van eiseres op 2 oktober 2024) heeft de gemachtigde van eiseres echter ruimschoots de kans gehad om daar op tijd op te reageren. Met dit procedeergedrag ontneemt de gemachtigde verweerder én de rechtbank de kans om zich adequaat voor te bereiden op (een reactie op) standpunten die pas op de zitting concreet aan een onroerende zaak worden gerelateerd. De rechtbank staat dit procedeergedrag niet toe wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank laat daarom de gronden die de gemachtigde op de zitting heeft aangevoerd en die niet een nadere onderbouwing zijn van gronden uit zijn beroepschrift of (pinpoint)brieven buiten beschouwing. De rechtbank behandelt dus alleen de gronden die de gemachtigde eerder op schrift heeft gesteld en zijn geconcretiseerd op zitting.
Beoordelingskader
3.1
De WOZ-waarde van een woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
3.2
Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum (1 januari 2022) niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiseres ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen.
Het geschil
4. De woning is een appartement uit 1900 met een gebruiksoppervlakte van 65 m².
5. In geschil is de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum
1 januari 2023. Eiseres bepleit een lagere waarde van € 379.000,-
.De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 410.000,-.
De beoordeling van de zaak
Heeft de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk gemaakt?
6.1
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix, het taxatierapport en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen ook in Utrecht gelegen appartementen zijn uit een vergelijkbaar bouwjaar, niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht en wat ligging en uitstraling betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning ten aanzien van onder meer het voorzieningenniveau. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
6.2.
Eiseres heeft tegen de bepaling van de WOZ-waarde voorafgaand aan de zitting geen specifieke gronden aangevoerd. Zoals in 2.2 is overwogen, laat de rechtbank op de zitting aangevoerde gronden buiten beschouwing.
Overschrijding van de opbrengstlimiet
7.1
Eiseres voert in haar brief van 23 juni 2025 aan dat de heffingsambtenaar onvoldoende inzicht heeft gegeven in de ramingen van baten en lasten terzake de riool- en
afvalstoffenheffing, waterschapslasten, zuiveringsheffing, reinigingsrecht en alle andere lokale belastingen en plaatselijke heffingen onder welke titel dan ook. Ten aanzien van de posten overhead, uren en BTW bestaat in de ramingen redelijke twijfel of en in hoeverre er sprake is van een „last ter zake“. Eiseres verwijst naar een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2025. [2]
7.2
De heffingsambtenaar stelt dat de gronden ten aanzien van de opbrengstlimiet tardief zijn aangevoerd. In de door eiseres genoemde uitspraak staat ook onder overweging 4.3 het stappenplan beschreven dat de Hoge Raad heeft opgesteld voor doen van een beroep op overschrijding van de opbrengstlimiet. Dat is niet gevolgd.
7.3
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond buiten beschouwing moet worden gelaten op grond van artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Eiseres heeft niet op een eerder moment in de procedure aan de orde gesteld dat de aan haar opgelegde watersysteemheffing en rioolheffing onrechtmatig zijn, omdat de opbrengstlimiet is overschreden. Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank afzonderlijke besluitonderdelen. Alleen tegen de besluitonderdelen waartegen bezwaar is gemaakt, staat gelet op voormeld artikel beroep bij de rechter open. De enkele vermelding in de aanhef van het bezwaarschrift: “Bezwaar contra aanslag WOZ/OZB 2023 én uitdrukkelijk ook alle
andere hier aan gerelateerde lokale heffingen en belastingen, onder welke
titel dan ook.” kan niet worden gezien als het bezwaar maken tegen de lokale heffingen, nu het bezwaarschrift inhoudelijk alleen ingaat op de WOZ-waarde van de woning.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
8.1
Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
8.2
De rechtbank stelt vast dat op deze zaak de in het arrest van de Hoge Raad [3] van 14 juni 2024 voor recht op immateriële schadevergoeding ingevoerde bagatelgrens van € 1.000,- van toepassing is. Eiseres heeft weliswaar voorafgaand aan de datum van het arrest voor het eerst haar schadevergoedingsverzoek gedaan, maar op dat moment was de redelijke termijn van twee jaar nog niet overschreden. De rechtbank moet eerst beoordelen of deze bagatelgrens wordt gehaald.
8.3
Uit overweging 3.3.3 van het arrest volgt dat het financiële belang bij de procedure in beginsel bestaat uit het financiële voordeel dat belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële belang bij de procedure wordt dus niet bepaald door de hoogte van een of meer fiscale beschikkingen en ook niet door de omvang van het (uiteindelijk) door de belanghebbende in de procedure bereikte financiële resultaat. De Hoge Raad heeft ook overwogen dat het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten buiten beschouwing wordt gelaten voor zover hij deze standpunten tegen beter inheeft ingenomen.
8.4
Zoals hiervoor al is overwogen zien de enige concrete gronden die zijn aangevoerd in deze beroepsprocedure op de WOZ-waarde van de woning. De waarde van de woning is door de heffingsambtenaar vastgesteld op € 410.000,-. Eiseres bepleit in beroep een waarde van € 379.000,-. Het verschil tussen de vastgestelde waarde en de bepleite waarde is
€ 31.000,-. Het financiële voordeel dat eiseres had kunnen bereiken als zij gelijk had gekregen bestaat uit de percentages uit dit verschil dat wordt gerekend voor de OZB (0,0790%) en de watersysteemheffing gebouwd (0,020920%). Dat zijn de enige heffingen op de aanslag die aan de hand van de WOZ-waarde worden berekend. Het totale financiële belang blijft daarmee ruimschoots onder de bagatelgrens van € 1.000,-.
8.5
Om de gevolgen van het bovenstaande te kunnen bepalen moet eerst gekeken worden hoeveel de redelijke termijn is overschreden. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 2 maart 2023. De redelijke termijn verliep dus op
2 maart 2025. De redelijke termijn is dus met ruim zeven maanden overschreden. Dit sluit aan bij overweging 3.4.3 van het arrest waaruit volgt dat wanneer het financiële belang bij de procedure, minder dan € 1.000,- bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, de belastingrechter kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank zal dit dan ook toepassen. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.

Conclusie en gevolgen

9. De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning voor belastingjaar 2023 niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is ongegrond. De redelijke termijn is overschreden, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om daarvoor een schadevergoeding toe te wijzen. De heffingsambtenaar hoeft daarom het door eiseres betaalde griffierecht niet te vergoeden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres te veroordelen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van A. Angeli, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2025.
de griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In haar uitspraak van 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:221 is de rechtbank ingegaan op het procedeergedrag van de gemachtigde van eiseres.
3.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.