ECLI:NL:RBMNE:2025:5556

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 oktober 2025
Publicatiedatum
27 oktober 2025
Zaaknummer
UTR 25/4903 en UTR 25/4917
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen beslissing op bezwaar inzake beleidsregels cameratoezicht en verzoek om voorlopige voorziening

In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, die op 6 mei 2025 de Beleidsregels ontheffingen geslotenverklaring [straat] 2025 heeft vastgesteld. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze beleidsregels, maar het college heeft dit bezwaar op 15 juli 2025 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen mogelijkheid is om bezwaar te maken tegen een beleidsregel. Eiser heeft vervolgens op 23 augustus 2025 beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft op 17 oktober 2025 uitspraak gedaan, waarbij het beroep kennelijk ongegrond is verklaard. De voorzieningenrechter is onbevoegd om te oordelen over het verzoek om voorlopige voorziening, omdat er geen besluit is genomen dat onder de reikwijdte van de Algemene wet bestuursrecht valt. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het geschil over cameratoezicht niet bij de bestuursrechter hoort, maar bij de burgerlijke rechter. Eiser kan deze procedure zelf aanhangig maken. De rechtbank heeft bepaald dat het griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening aan eiser wordt terugbetaald en dat er geen proceskostenveroordeling plaatsvindt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4903 en UTR 25/4917
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het beroep en op de voorlopige voorziening van 17 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser/verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt.

Inleiding

1. Het college heeft op 6 mei 2025 de Beleidsregels ontheffingen geslotenverklaring [straat] 2025 (de Beleidsregels) vastgesteld. Eiser/verzoeker (hierna: eiser) heeft daartegen bezwaar ingediend. Bij het bestreden besluit van 15 juli 2025 heeft het college het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen mogelijkheid is om bezwaar te maken tegen een beleidsregel.
2. Eiser heeft op 23 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (UTR 25/4903) en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (UTR 25/4917) te treffen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is en de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om van het verzoek kennis te nemen, doet de rechtbank/voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. De artikelen 8:54, eerste lid, onder a, en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maken dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep en het verzoek kennelijk ongegrond zijn.
4. Eiser heeft in zijn beroep en verzoek toegelicht dat het hem erom gaat dat er camera-handhaving wordt ingericht en uitgevoerd. De Beleidsregels zijn volgens eiser verbonden met de feitelijke camera-handhaving. Omdat de toepassing direct leidt tot (onrechtmatige) gegevensverwerking en mogelijke sanctionering, is daarom volgens eiser sprake van een besluit van algemene strekking met rechtsgevolg. Eiser verzoekt om de feitelijke toepassing van de camera-handhaving op de Korssesteeg op te schorten zolang het beroep loopt. Eiser is het er verder niet mee eens dat in de Beleidsregels geen alternatieve manieren om een ontheffing aan te vragen zijn opgenomen, waarbij geen sprake is van (volgens hem) onrechtmatige verstrekking van gegevens.
5. De rechtbank heeft op 27 augustus 2025 een brief gestuurd en aangegeven dat zij in de Beleidsregels vooralsnog geen expliciete grondslag voor cameratoezicht ziet. In die brief is ook aangegeven dat in dat geval eiser met zijn verzoek niet kan bereiken wat hij wil. De rechtbank heeft verzocht om nader te onderbouwen waarom het cameratoezicht volgens eiser wel uit de beleidsregels volgt.
6. Hierop heeft eiser gereageerd en aangegeven dat de gemeente het gebruik van camera’s voor handhaving niet kan baseren op de Beleidsregels. Als er geen afzonderlijk appellabel besluit is genomen, handelt de gemeente zonder besluit. Dit is in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het gebruik van camera’s leidt tot verwerking van persoonsgegevens in de zin van de AVG. Eiser verzoekt om het college te verbieden persoonsgegevens verder te verwerken of door te geven in het kader van camera’s voor handhaving.
7. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep tegen het bestreden besluit kennelijk ongegrond is. Op grond van artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan geen bezwaar worden ingediend tegen een beleidsregel. Het college heeft daarom het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en terecht niet inhoudelijk behandeld.
8. Voor wat betreft het cameratoezicht, waar het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser op gericht is, is de voorzieningenrechter kennelijk niet bevoegd om daarover te oordelen. De beleidsregels waar eiser tegen in bezwaar en in beroep is gegaan, gaan over ontheffingen voor de geslotenverklaring van de Korssesteeg in Westbroek. Daarin is niet iets opgenomen over cameratoezicht. Ook gaan deze Beleidsregels niet over de afsluiting van de Korssesteeg. Er is over het cameratoezicht dus geen besluit genomen zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De bestuursrechter kan alleen kennisnemen van geschillen over bestuursrechtelijke besluiten. Nu daar geen sprake van is, is de voorzieningenrechter kennelijk niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen het bestreden besluit is kennelijk ongegrond. Voor wat betreft het geschil over cameratoezicht is de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd om daar kennis van te nemen.
10. Het geschil over cameratoezicht hoort niet thuis bij de bestuursrechter, maar bij de burgerlijke rechter in deze rechtbank. Eiser zal die procedure bij de burgerlijke rechter zelf aanhangig moeten maken. Er is wel aanleiding dat de griffier het door eiser in de zaak UTR 25/4917 betaalde griffierecht van € 194 terugstort. [1]
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep kennelijk ongegrond.
De voorzieningenrechter:
  • verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen;
  • bepaalt dat de griffier het griffierecht voor het verzoek om een voorlopige voorziening aan eiser terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met de uitspraak, voor zover die betrekking heeft op de beroepszaak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen deze uitspraak, voor zover die betrekking heeft op het verzoek om voorlopige voorziening, staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Gelet op het bepaalde in artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken is geen griffierecht verschuldigd.