Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:5560

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
UTR 25/5202
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom voor illegale bebouwing

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een last onder dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan hem heeft opgelegd wegens het plaatsen van een tuinhuis/schuur en een pergola zonder vergunning op zijn perceel. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij de bebouwing moet afbreken en een dwangsom moet betalen.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en oordeelde dat er geen spoedeisend belang was omdat het college schriftelijk had toegezegd de begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Daarnaast was het bestreden besluit niet evident onrechtmatig, hetgeen betekent dat zonder diepgaand onderzoek geen ernstige twijfel bestond over de rechtmatigheid van het besluit.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5202

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 oktober 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr.drs. C.R. Jansen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: mr. N.J. van Polanen).

Inleiding

1. Met het besluit van 11 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het college aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd. Bij een controle op 27 februari 2025 hebben toezichthouders op het perceel [adres] in [plaats] een tuinhuis/schuur en een pergola aangetroffen in de achtertuin. Verzoeker heeft daarvoor geen (toereikende) vergunning. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Met de voorlopige voorziening wil verzoeker voorkomen dat er al een onomkeerbare situatie ontstaat omdat hij de betreffende bebouwing moet afbreken en hij al een dwangsom is verschuldigd.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen, omdat het kennelijk ongegrond is. Hieronder zal zij uitleggen waarom.
4. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend hangende de bezwaarprocedure. Het college heeft schriftelijk verklaard dat hij bereid is om de begunstigingstermijn te verlengen totdat zes weken zijn verstreken nadat het college op het bezwaarschrift heeft beslist. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van zijn verzoek.
5. Bij het ontbreken van spoedeisend belang kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit uiteindelijk in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet op basis van de stukken geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
6. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en ook niet dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.