Op 16 oktober 2025 legde de burgemeester een tijdelijk huisverbod op aan eiser vanwege een incident op 13 oktober waarbij een ruzie plaatsvond in de woning en de politie werd ingeschakeld. Het huisverbod duurde tien dagen en was bedoeld om de veiligheid van de achterblijfster en de baby te waarborgen.
Eiser stelde beroep in tegen het huisverbod en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 22 oktober 2025 en oordeelde dat het huisverbod niet terecht was opgelegd omdat er op het moment van oplegging geen ernstig en onmiddellijk gevaar meer bestond. De burgemeester had het huisverbod pas drie dagen na het incident opgelegd, nadat eiser niet wilde meewerken aan een veiligheidsplan.
De voorzieningenrechter vernietigde het besluit tot oplegging van het huisverbod en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Wel werd ambtshalve een voorlopige voorziening getroffen die bepaalt dat eiser pas na 48 uur terug mag keren naar de woning, om de belangen van de achterblijfster en de kinderen te beschermen. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiser.
De uitspraak werd mondeling gedaan op 22 oktober 2025 en partijen werden gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep binnen zes weken. Tegen de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.