ECLI:NL:RBMNE:2025:5622

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
C/16/599607 / JE RK 25-1400
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van kwetsbare minderjarige

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 14 oktober 2025 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2024, voor de duur van een jaar tot 22 oktober 2026. De minderjarige verblijft in een pleeggezin waar hij zich goed ontwikkelt, samen met zijn halfzus.

De ouders zijn het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar niet met de verlenging van de uithuisplaatsing, omdat zij zelf voor hun kind willen zorgen. De rechtbank overweegt echter dat de ouders onvoldoende zorg- en opvoedkwaliteiten hebben, mede door hun eigen kwetsbaarheden zoals een licht verstandelijke beperking en een instabiele leefsituatie. Een perspectiefonderzoek werd afgewezen vanwege contra-indicaties.

Gelet op het niet behalen van de randvoorwaarden en het ontbreken van perspectief op thuisplaatsing, acht de rechtbank verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind. De rechtbank onderschrijft het beleid van de gecertificeerde instelling om het contact tussen ouders en kind voorspelbaar en prettig te maken. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 22 oktober 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/599607 / JE RK 25-1400
Datum uitspraak: 14 oktober 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 september 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder,
  • de vader,
- mevrouw [A] , namens de GI.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin, samen met zijn halfzus [B] van 2,5 jaar.
2.3.
De ouders hebben wekelijks 1,5 uur omgang met [minderjarige] bij het pleeggezin.
2.4.
In de beschikking van 22 oktober 2024 heeft de kinderrechter (de toen nog ongeboren) [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, dus tot 22 oktober 2025.
2.5.
In de beschikking van 28 november 2024 heeft de kinderrechter een (spoed) machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin, waarbij [minderjarige] in het ziekenhuis verblijft tot datum ontslag. Sindsdien heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] steeds verlengd, voor het laatst tot 22 oktober 2025.

3.De verzoeken

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Daarnaast wil de GI het perspectiefbesluit van 7 augustus 2025, dat op schrift is gesteld op 11 september 2025, laten toetsen door de rechtbank.

4.De standpunten

De ouders zijn het wel eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar de ouders zijn het niet eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De ouders willen graag zelf voor [minderjarige] zorgen.

5.De beoordeling

Ondertoezichtstelling
5.1.
De rechtbank zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar, dus tot 22 oktober 2026. De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] is zeer kwetsbaar doordat hij te vroeg is geboren. Ook woont [minderjarige] niet bij de ouders. Daarom is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. De ouders zijn het daarmee eens.
Machtiging tot uithuisplaatsing
5.3.
De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 22 oktober 2026. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van zijn geestelijke toestand en onderzoek van zijn lichamelijke toestand. [2] Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
5.4.
[minderjarige] is een zeer kwetsbare baby doordat hij te vroeg is geboren. Daarom is het extra belangrijk dat hij goed wordt verzorgd. De ouders kunnen helaas, hoe graag zij dat ook willen, [minderjarige] die zorg niet bieden. De ouders zijn zelf namelijk ook kwetsbaar. Zij hebben een belaste jeugd gehad en bij de moeder is sprake van een licht verstandelijke beperking en bij de vader van een laag IQ. Daarnaast staat de vader onder bewind en gebruikt hij drugs (blowen). In november gaat de vader naar een kliniek van [instelling] om af te kicken.
Door hun kwetsbaarheden hebben de ouders zelf begeleiding nodig bij hun dagelijkse leven. De ouders wonen daarom (inmiddels apart van elkaar) in een woonvoorziening van hulpverleningsinstantie [instelling] . De ouders hebben een relatie met elkaar, maar het afgelopen jaar was hun relatie instabiel.
5.5.
De ouders beschikken over onvoldoende zorg- en opvoedkwaliteiten en zij zijn onvoldoende leerbaar gebleken. Gelet op de zorgen die al bestonden over de moeder is [minderjarige] voor zijn geboorte onder toezicht gesteld van de GI. Na de vroeggeboorte van [minderjarige] heeft het betrokken ziekenhuispersoneel zijn zorgen geuit over het (on)vermogen van de ouders om basale zorg aan [minderjarige] te geven. De GI en de kinderrechter deelden deze zorgen en daarom is [minderjarige] aansluitend aan zijn ziekenhuisopname met spoed uit huis geplaatst in een pleeggezin. In dit pleeggezin woont ook [B] , de dochter van de moeder uit een eerdere relatie. Kort na haar geboorte heeft [B] een paar dagen met de moeder in een moeder-kind-huis verbleven. De moeder was toen niet in staat om goed aan te sluiten en te reageren op de behoeftes van [B] . Daarom woont [B] sindsdien in het pleeggezin.
5.6.
De GI heeft voor de ouders randvoorwaarden/doelen opgesteld voor een stabiele opvoedsituatie, die slechts deels zijn vervuld. Daarnaast heeft de GI opdracht gegeven aan [instelling] om een perspectiefonderzoek te doen. [instelling] heeft op 27 juni 2025 laten weten geen perspectiefonderzoek te gaan doen. Volgens [instelling] zijn er diverse contra-indicaties. De factoren die tegen het uitvoeren van het onderzoek pleiten zijn:
1. Vooraf vastgestelde uitkomst: uit onze analyse blijkt dat de uitkomst van het
perspectiefonderzoek al grotendeels vaststaat;
2. De ouder(s) is/zijn aantoonbaar onvoldoende leerbaar gebleken;
3. De situatie van ouders is te onstabiel om onderzoek te doen;
4. De interventie van perspectief onderzoek is minder geschikt voor jeugdigen met ouders met een verstandelijke beperking.
5.7.
Gelet op het niet behalen van de randvoorwaarden/doelen en de afwijzing van het perspectiefonderzoek heeft de GI besloten dat zij niet meer gaat werken aan thuisplaatsing van [minderjarige] . [minderjarige] zal verder opgroeien binnen het pleeggezin, waar hij zich goed ontwikkelt. De GI wil het komend jaar eraan werken dat [minderjarige] een voorspelbaar en prettig contact heeft met de ouders. De GI kijkt naar een traject binnen [instelling] om de ouders handvatten te geven om binnen de bezoekregeling meer verbinding te maken met [minderjarige] , bijvoorbeeld via VIB-G. De rechtbank is het eens met dit beleid van de GI.
5.8.
De rechtbank begrijpt dat het erg moeilijk en verdrietig is voor de ouders om niet zelf voor [minderjarige] te kunnen zorgen. De ouders zullen wel altijd een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] blijven vervullen. De rechtbank ziet dat de ouders van [minderjarige] houden en dat zij de omgangsregeling met [minderjarige] (en [B] ) goed nakomen. Dat is heel belangrijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Ook verloopt het contact tussen de ouders en de pleegouders goed, wat de rechtbank zeer positief vindt.
Gezagsregister
5.9.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
Uitvoerbaar bij voorraad
5.10.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 22 oktober 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 22 oktober 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025 door mr. M.A.A.T. Engbers, mr. E.A.A. van Kalveen en mr. A.M.J. van der Weide, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. A. Verouden als griffier, en op schrift gesteld op 30 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.