ECLI:NL:RBMNE:2025:563

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 februari 2025
Publicatiedatum
19 februari 2025
Zaaknummer
UTR 24/8230
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen medisch onderzoek en rijbewijs schorsing

Verzoeker heeft bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) bezwaar gemaakt tegen de oplegging van een medisch onderzoek en de schorsing van zijn rijbewijs. Het CBR besloot op 11 december 2024 dat verzoeker een medisch onderzoek moet ondergaan en legde tevens een rijbewijs schorsing op.

Verzoeker stelde dat zijn rijbewijs onmisbaar is voor zijn beroep als installatiemonteur en dat hij zonder rijbewijs geen inkomsten kan genereren. De voorzieningenrechter vroeg verzoeker om binnen twee weken met stukken aan te tonen dat er sprake is van een spoedeisend belang, maar verzoeker reageerde niet.

Omdat verzoeker niet met stukken heeft onderbouwd dat hij door het ontbreken van zijn rijbewijs op korte termijn zijn baan en inkomsten zal verliezen, concludeert de voorzieningenrechter dat er geen spoedeisend belang is. Ook is niet gebleken dat het besluit evident onrechtmatig is. Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het medisch onderzoek en de schorsing van het rijbewijs wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8230

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 februari 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. D. Eijpe),
en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR(gemachtigde: E.D. de Vries)

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de oplegging van een medisch onderzoek en de schorsing van zijn rijbewijs.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Met het besluit van 11 december 2024 heeft het CBR besloten dat verzoeker een medisch onderzoek moet laten doen. Ook is zijn rijbewijs geschorst. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verzoeker heeft gesteld dat zijn rijbewijs onmisbaar is voor zijn beroep als installatiemonteur. Omdat hij nu geen rijbewijs heeft, heeft hij geen inkomsten. Bij brief van 23 december 2024 heeft de voorzieningenrechter verzoeker gevraagd binnen twee weken met stukken te onderbouwen welke spoedeisende belangen het treffen van een voorziening vereisen. Verzoeker heeft hierop niet gereageerd. Verzoeker heeft daarmee niet met stukken onderbouwd of nader toegelicht dat hij door het ontbreken van zijn rijbewijs op korte termijn zijn baan en inkomsten zal verliezen en als gevolg daarvan niet meer in zijn primaire levensbehoeften zal kunnen voorzien.
De conclusie is daarom dat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verder volgt uit wat is aangevoerd niet op voorhand dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2025.
(De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen).
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.