ECLI:NL:RBMNE:2025:5652

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
C/16/600435 / JE RK 25-1487
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in het kader van jeugdbescherming

Op 21 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, uitspraak gedaan in de zaak betreffende de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De kinderrechter heeft de machtiging verlengd tot 10 januari 2026, in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen, maar de kinderrechter oordeelt dat de kinderen momenteel niet bij hen kunnen wonen vanwege de onveilige situatie en de speciale zorgbehoeften van de kinderen. De moeder heeft eerder aangegeven niet voor de kinderen te kunnen zorgen, maar wil nu wel weer voor hen zorgen. De kinderrechter heeft de GI opgedragen om bij een volgend verzoek om verlenging aan te geven wat er moet veranderen bij de moeder om een (gedeeltelijke) terugplaatsing mogelijk te maken. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De ouders zijn het niet eens met het verzoek van de GI, maar de kinderrechter heeft geoordeeld dat de verlenging van de machtiging noodzakelijk is voor de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/600435 / JE RK 25-1487
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, de GI,
gevestigd in Amsterdam-Zuidoost,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] .
In deze zaak zijn belanghebbenden:
[moeder], de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H. Ben Touhami,
[vader], de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.De procedure

1.1.
De kinderrechter heeft het verzoekschrift met bijlagen van de GI ontvangen op 2 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren was op 21 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
  • [A] van de GI (via videoverbinding);
  • [B 1] en [B 2] van Vooruit met Zorg.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben op 21 oktober 2025 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Aan het eind van de zitting heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking van de uitspraak.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
In de beschikking van 10 januari 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI tot 10 januari 2026.
2.3.
In de beschikking van 26 maart 2025 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging verleend voor de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een instelling van een jeugdhulpaanbieder (gezinshuis in [plaats] ). De machtiging is daarna verlengd tot 23 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging voor de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een instelling van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 10 januari 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De ouders zijn het niet eens met het verzoek van de GI.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter vindt dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderen kunnen nu namelijk niet bij de ouders wonen. De kinderen hebben een speciale opvoeding en verzorging nodig doordat zij bij de ouders geen veilige en stabiele plek hadden. Ook heeft [minderjarige 1] diabetes, wat extra zorg vraagt. Verder hebben beide kinderen een lichte verstandelijke beperking, maar daar is de moeder het niet mee eens.
5.3.
De kinderen kunnen nu niet bij de vader wonen, omdat hij niet goed genoeg voor de kinderen kan zorgen. Hij kan de kinderen nog niet voldoende structuur bieden. Dat is gebleken uit de eerdere gezinsopname van de vader en de kinderen. Nu krijgt de vader opvoedondersteuning van Vooruit met Zorg. Zij zien dat de vader het beter doet en het is positief dat de wekelijkse contactmomenten van de vader met de kinderen inmiddels zijn uitgebreid met een overnachting. Het is de bedoeling dat de contactmomenten de komende tijd verder worden uitgebreid.
5.4.
Het is nu niet duidelijk of de kinderen weer bij de moeder kunnen wonen. De GI wil de komende tijd onderzoeken of zij de kinderen weer kan verzorgen en opvoeden. De moeder heeft de kinderen eerder langere tijd alleen thuis gelaten en heeft ook gezegd niet meer voor de kinderen te kunnen zorgen. Nu wil zij wel weer voor de kinderen zorgen. Om goed te onderzoeken of de moeder weer voor de kinderen kan zorgen, zal er een uitbreiding van het contact tussen de moeder en de kinderen moeten komen, zoals de moeder al langere tijd wil. De afgelopen tijd is het contact tussen de moeder en de kinderen beperkt gebleven tot één keer per drie weken, omdat moest blijken of de moeder betrouwbaar was in het nakomen van deze afspraak. Vooruit met Zorg ziet ook bij de moeder een vooruitgang tijdens de contactmomenten. Verder moet ook rekening worden gehouden met het feit dat de moeder nog een kindje verwacht en dat er zorgen zijn over haar verstandelijke niveau. Daarnaast zij er mogelijk ook geldproblemen.
5.5.
Met de kinderen gaat het goed in het gezinshuis in [plaats] , maar zij willen heel graag naar de Tussenstap als zij nog niet naar de ouders kunnen. Dat is een plek waar zij afgelopen zomer drie weken hebben gelogeerd en waar zij leuk contact hadden met leeftijdsgenootjes. Dat hebben zij niet bij het gezinshuis. Daar wonen oudere kinderen en met een aantal daarvan hebben zij naar eigen zeggen geen fijn contact. De GI heeft hier aandacht voor. Als de kinderen uiteindelijk voldoende stabiliteit hebben, krijgen zij traumabehandeling voor wat zij hebben meegemaakt.
5.6.
Als een kind in een gezinshuis is geplaatst, dan moet de machtiging van de kinderrechter gelden voor een “gezinsgerichte voorziening”. De beslissing van de kinderrechter geldt dan ook voor een gezinsgerichte voorziening.
5.7.
Als de GI over een aantal maanden wil dat de machtiging tot uithuisplaatsing opnieuw wordt verlengd, wil de kinderrechter graag antwoord op de volgende vragen:
  • wat moet er nog veranderen bij de moeder om een (gedeeltelijke) terugplaatsing van de kinderen bij haar mogelijk te maken;
  • welke hulp heeft zij daarbij nodig;
  • wat is de stand van zaken van die hulp (eventueel met (tussentijdse) resultaten en een vervolgplan)?
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 10 januari 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025 door mr. G.L.M. Urbanus, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 4 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
JVV

Voetnoten

1.Artikel 1:265c lid 2 Burgerlijk Wetboek.