ECLI:NL:RBMNE:2025:5710

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
24/6479
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:72 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op IVA-uitkering met terugwerkende kracht wegens onvoldoende motivering UWV

Eiser is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt bevonden en ontvangt een IVA-uitkering vanaf 21 februari 2022. Hij betwist echter de ingangsdatum en stelt dat hij al eerder, namelijk per 23 januari 2021, duurzaam arbeidsongeschikt was. De rechtbank heeft in een eerdere tussenuitspraak vastgesteld dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de arbeidsongeschiktheid op die datum niet duurzaam zou zijn, met name vanwege het ontbreken van concrete informatie over de revalidatie en de te verwachten effecten daarvan.

Het UWV heeft een herstelpoging gedaan door een aanvullende motivering van de verzekeringsarts te overleggen, waarin werd gesteld dat verbetering mogelijk was omdat eiser kort na het trauma in revalidatie was gegaan. De rechtbank oordeelt echter dat deze motivering onvoldoende is, omdat geen informatie van behandelend artsen is opgevraagd en niet is toegelicht waaruit de revalidatie bestond en waarom dit tot verbetering kon leiden.

De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Zij bepaalt dat eiser met ingang van 23 januari 2021 recht heeft op een IVA-uitkering. Tevens wordt het griffierecht aan eiser vergoed. De uitspraak komt in de plaats van het vernietigde besluit, waarmee een definitief einde aan het geschil wordt gemaakt.

Uitkomst: Eiser krijgt met terugwerkende kracht vanaf 23 januari 2021 recht op een IVA-uitkering wegens volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6479
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: J.H. Swart).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de uitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt bevonden en krijgt per 21 februari 2022 een IVA-uitkering. Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van de IVA-uitkering.

Procesverloop

2. Op 23 mei 2025 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak (de tussenuitspraak) gedaan. Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak.
2.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het Uwv in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
2.2.
Het Uwv heeft op 4 juli 2025 een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 juli 2025 toegezonden waarin een aanvullende motivering is gegeven. Eiser heeft op 31 juli 2025 een zienswijze ingediend naar aanleiding van de rapportage.
2.3.
De rechtbank heeft naar aanleiding hiervan beslist een nadere te houden. Op 24 september 2025 heeft de rechtbank aan eiser verzocht om informatie over de ingezette revalidatie aan de rechtbank toe te sturen.
2.4.
Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2025. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Uwv. De echtgenote van eiser, [A] , was ook aanwezig bij de zitting.
2.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond en voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat eiser met ingang van 23 januari 2021 recht heeft op een IVA-uitkering. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Tussenuitspraak
4. Deze zaak gaat over de vraag per wanneer eiser recht heeft op een IVA-uitkering. Dat is het geval als eiser volledig arbeidsongeschikt is en deze arbeidsongeschiktheid ook duurzaam is. Het staat vast dat eiser volledig arbeidsongeschikt is en dat deze arbeidsongeschiktheid per 21 februari 2022 ook duurzaam is, maar volgens het Uwv was er per 23 januari 2021 nog kans op verbetering van de belastbaarheid van eiser zodat hij per die datum niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Eiser is het hier niet mee eens, hij vindt dat (in ieder geval) op 23 januari 2021 duidelijk was dat hij niet meer zou herstellen en dus duurzaam arbeidsongeschikt was.
4.1.
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
4.2.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geconcludeerd dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de arbeidsongeschiktheid van eiser per 23 januari 2021 (nog) niet duurzaam is, omdat geen inschatting is gemaakt van de herstelkansen in het eerste jaar en de periode erna, die gebaseerd is op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden van eiser. Ook is de vereiste onderbouwing die ziet op het mogelijke resultaat van de behandeling in (specifiek) eisers geval, niet gegeven. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.
Toetsingskader
5. De Centrale Raad hanteert strenge criteria voor de beoordeling van duurzaamheid door verzekeringsartsen. De verzekeringsarts moet hierbij een inschatting maken van de herstelkansen in het eerste jaar en de periode erna. Die inschatting moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden van de verzekerde. Als de inschatting berust op een medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat van die behandeling voor de individuele verzekerde. [1]
De herstelpoging van het Uwv
6. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 4 juli 2025 een nadere motivering gegeven. Zij schrijft dat weliswaar geen informatie van behandelde artsen beschikbaar is, maar dat na het ernstig trauma verbetering verwacht mocht worden omdat eiser op korte termijn in revalidatie is gegaan. Zij herhaalt de overweging uit het eerdere rapport van 5 september 2024 dat revalidatie niet alleen gericht is op herstel van functioneren, maar ook op het ontwikkelen van compensatiemogelijkheden.
6.1.
De rechtbank constateert dat de verzekeringsarts geen informatie heeft opgevraagd bij de behandeld artsen over de te verwachten effecten van de te volgen behandelingen en dat zij haar conclusie dus niet heeft gebaseerd op informatie van behandelend artsen. In het rapport is ook niet beschreven waaruit de gestelde revalidatie na de val van eiser op 23 januari 2021 heeft bestaan en waarom dit tot verbetering van zijn arbeidsmogelijkheden kon leiden. De rechtbank is van oordeel dat de enkele constatering dat eiser op korte termijn na het ernstig trauma in revalidatie is gegaan, onvoldoende motivering is voor het oordeel dat eiser niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Dat op zitting nader is toegelicht dat de verzekeringsarts uit de literatuur opmaakt dat dit een aandoening is die in de regel goed kan genezen en waarvan de verwachting is dat geen cognitieve klachten resteren, is ook geen concrete en deugdelijke motivering dat in het geval van eiser zijn arbeidsmogelijkheden binnen een jaar kunnen verbeteren. Dit betekent dat het Uwv nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de (volledige) arbeidsongeschiktheid van eiser per 23 januari 2021 niet duurzaam is. De rechtbank is daarom van oordeel dat het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek niet is hersteld.
6.2.
Het beroep slaagt. Het bestreden besluit is niet voorzien van een deugdelijke motivering, zodat dit besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
De gevolgen
7. Vervolgens moet de rechtbank beslissen hoe het verder gaat met de procedure. Daarbij is het uitgangspunt dat de rechtbank het geschil zo definitief mogelijk beslist. [2]
7.1.
Na een tussenuitspraak heeft de rechtbank de volgende mogelijkheden: het in stand laten van de rechtsgevolgen (dat wil zeggen dat de uitkomst van het bestreden besluit niet verandert), zelf in de zaak voorzien (dan neemt de rechtbank zelf een beslissing over de uitkering van eiser), het Uwv opdragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser waarbij het Uwv deze uitspraak en de tussenuitspraak moet betrekken of nog een keer een tussenuitspraak doen.
7.2.
De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Er bestaat, mede gelet op wat is besproken op de zitting, geen verwachting dat het bestreden besluit alsnog van een deugdelijke motivering wordt voorzien. De verzekeringsarts heeft in haar herstelpoging wederom geen individuele en concrete onderbouwing gegeven, die inhoudt dat verbetering van de belastbaarheid van eiser per 23 januari 2021 niet uitgesloten was. Daarnaast is op de zittingen duidelijk geworden dat het belangrijk is dat voor eiser een einde komt aan dit geschil. Het geschil gaat over de ingangsdatum van de IVA, die eiser uiteindelijk ongeveer een jaar later, per 21 februari 2022, wel gekregen heeft. Dit alles afwegende, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien om definitief een einde aan het geschil te maken.
7.3.
De rechtbank bepaalt daarom dat het bestreden besluit wordt vernietigd en het primaire besluit van 9 april 2024 wordt herroepen en te bepalen dat aan eiser met ingang van 23 januari 2021 een IVA-uitkering wordt toegekend. Het is aan het Uwv om eiser te informeren over de (financiële) gevolgen van het toekennen van de IVA-uitkering. Deze uitspraak komt in de plaats van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is dus gegrond en eiser krijgt dus gelijk. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit van 10 september 2024.
9. Om te komen tot een definitieve beslechting van het geschil wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 9 april 2024 te herroepen, te bepalen dat eiser met ingang van 23 januari 2021 recht heeft op een IVA uitkering en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het Uwv ook het griffierecht aan eiser vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
9.2.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 september 2024;
- herroept het primaire besluit van 9 april 2024;
- bepaalt dat aan eiser een IVA-uitkering voor volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid wordt toegekend met ingang van 23 januari 2021 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2025 door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
De griffier is verhinderd
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 februari 2009, ECLI:NLCRVB:2009:BH1896.
2.Artikel 8:41 van Pro de Awb.