Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:5726

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
16.355731.24
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVWArt. 6 WVWmodel G11 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken schuld en evident gevaarlijk rijgedrag bij verkeersongeval op fietspad

Op 24 juni 2023 vond in Almere een verkeersongeval plaats waarbij de verdachte als bestuurder van een bedrijfsbus op een fietspad reed en een voetganger raakte, die zwaar lichamelijk letsel opliep. De verdachte reed langzaam achteruit nadat hij zich realiseerde dat hij op het fietspad was, stopte direct na een paniekreactie van een getuige en stapte uit.

De officier van justitie legde primair schuld aan het verkeersongeval ten laste op grond van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro (WVW) en subsidiair overtreding van artikel 5 WVW Pro wegens gevaarlijk rijgedrag. De verdediging bepleitte integrale vrijspraak. De rechtbank oordeelde dat het primair tenlastegelegde niet bewezen kon worden en sprak verdachte vrij. Ook subsidiair werd vrijspraak uitgesproken omdat niet kon worden vastgesteld dat sprake was van evident gevaarlijk rijgedrag.

De rechtbank nam in haar oordeel mee dat verdachte voorzichtig was bij het achteruitrijden, dat niet vaststaat wanneer en in hoeverre het slachtoffer zichtbaar was in spiegels of camera, en dat verdachte niet op de hoogte was van defecte achteruitrijlichten. De ernst van het letsel van het slachtoffer werd erkend, maar dit was onvoldoende voor een bewezenverklaring van de tenlastelegging. De verdachte werd dus volledig vrijgesproken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van schuld en evident gevaarlijk rijgedrag bij verkeersongeval.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats: Lelystad
Parketnummer: 16.355731.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 5 november 2025
in de strafzaak van
[verdachte],
geboren op [1984] in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven op het adres [adres] , [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 22 oktober 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. L. van Zijl;
  • de advocaat van de verdachte: mr. N.M. Delsing.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair:
op 24 juni 2023 in Almere als bestuurder van een bedrijfsauto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen,
subsidiairis dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar en/of hinder op de weg.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.

3.Vrijspraak

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wel kan worden bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft gepleegd. De verdachte dient gedeeltelijk te worden vrijgesproken van het onderdeel dat het voertuig niet was voorzien van werkende geluidssignalen en dat de achteruitrijcamera van het voertuig was ingesteld op de stand veraf.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Primair, artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994(
WVW)
De rechtbank oordeelt dat het primair tenlastegelegde niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Subsidiair, artikel 5 WVW Pro
Vervolgens is de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van Pro de WVW. Vooropgesteld wordt dat niet iedere overtreding van een verkeersregel een schending van genoemd artikel oplevert. Er moet sprake zijn van evident gevaarlijk rijgedrag. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is.
Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat op 24 juni 2023 op het fietspad aan de Wandellaan in Almere een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de verdachte als bestuurder van een bedrijfsbus en het slachtoffer [slachtoffer] die op dat moment te voet was. De verdachte is met de bedrijfsbus op het fietspad terechtgekomen en is vervolgens over dit fietspad gaan rijden. Ook nadat de verdachte zich realiseerde dat hij op een fietspad reed, is hij daarop blijven rijden. Toen de verdachte aan het einde van dit fietspad bij een kruispunt aankwam, heeft hij de bedrijfsbus ongeveer een halve minuut stil gezet. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij toen heeft nagedacht over wat hij moest doen om weer op de autoweg te komen, waarna hij, nadat hij in zijn spiegels had gekeken, de keuze heeft gemaakt om achteruit te rijden. Volgens de verdachte zag hij niemand in de spiegels van zijn bedrijfsbus en ook niet op het camerabeeld dat de situatie achter de bedrijfsbus weergaf. De verdachte is vervolgens achteruit gaan rijden op het fietspad. Hoewel niet vaststaat wat op dat moment de exacte snelheid was die de verdachte reed, reed hij volgens getuigen [getuige 1] en [getuige 2] langzaam achteruit. Na enkele meters zag de verdachte een paniekreactie bij getuige [getuige 1] , die links van de bedrijfsbus stond. Door die reactie is de verdachte direct gestopt met rijden en uitgestapt. Op dat moment kwam de verdachte erachter dat hij bij het achteruitrijden tegen het slachtoffer was aangereden en dat het slachtoffer daardoor onder de bedrijfsbus terecht was gekomen.
Het staat voor de rechtbank vast dat er bij de verdachte voorafgaand aan het ongeval een moment van onoplettendheid is geweest. Dit aangezien hij met de bedrijfsbus op het fietspad is gaan rijden, terwijl ter plaatse een verkeersbord stond dat het fietspad aanduidde. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting komt echter ook naar voren dat de verdachte de nodige voorzichtigheid heeft betracht toen hij eenmaal op het fietspad stil was gaan staan en vervolgens langzaamaan achteruit ging rijden. Daarbij komt dat de politie niet heeft kunnen vaststellen waar het slachtoffer vandaan is komen lopen en wat precies zijn looproute is geweest voorafgaand aan het ongeval. Hierdoor kan niet worden vastgesteld in hoeverre en op welk moment het slachtoffer zichtbaar is geweest in de spiegels en/of op het camerabeeld van de bedrijfsbus waarin verdachte reed. Verder is weliswaar uit onderzoek gebleken dat de achteruitrijlichten van de bedrijfsbus niet werkten, maar volgens de verdachte was hij daarvan niet op de hoogte en er is geen aanleiding om aan die verklaring te twijfelen. De rechtbank rekent dit de verdachte daarom niet aan.
De rechtbank realiseert zich dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met ernstig letsel voor het slachtoffer, maar onder de hiervoor genoemde omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van evident gevaarlijk rijgedrag van de verdachte. Dat de verdachte het slachtoffer niet heeft gezien en hierdoor tegen hem is aangereden, is op zichzelf onvoldoende om tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 van Pro de WVW te komen. De rechtbank zal de verdachte ook daarvan vrijspreken.

4.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft
gepleegd en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W. Nederveen, voorzitter, mr. B.F. Hammerle en mr. D.S. Terporten-Hop, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.
De jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
(in de zaak met parketnummer 16.355731.24)
primair:
hij op of omstreeks 24 juni 2023 te Almere, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (te weten een bedrijfsauto van het merk Renault, type Master, gekentekend [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, het fietspad parallel aan de Wandellaan (terwijl dit fietspad met (een) bord(en) conform model G11 van bijlage 1 van het RVV 1990 was aangeduid als verplicht fietspad), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl dat motorrijtuig niet voorzien was van werkende achteruitrijlichten en/of geluidssignalen en/of terwijl de achteruitrijcamera van dat motorrijtuig was ingesteld op de stand ver af en/of
- een bijzondere manoeuvre uit te voeren, namelijk achteruit te rijden zonder overig verkeer voor te laten gaan en/of
- zijn aandacht niet voortdurend en/of niet voldoende bij de weg en/of het verkeer te houden en/of
- een overstekende voetganger, te weten [slachtoffer] niet voor te laten gaan en/of tegen die [slachtoffer] aan te rijden/te botsen,
waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten
- een breuk van het linker spaakbeen (waarvoor een operatie heeft plaatsgevonden waarbij plaatmateriaal is aangebracht) en/of
- een grote huidverwonding op de linker onderarm (lapverwonding zich uitstrekkend tot op de onderzijde van de duim waarvoor een operatie heeft plaatsgevonden waarbij de verwonding door de plastisch chirurg is dichtgemaakt met een huidtransplaat van elders op het lichaam) en/of
- drie breuken in de heupbeenderen (twee delen van het schaambeen en het onderste deel van het heiligbeen rechts),
of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair:
hij op of omstreeks 24 juni 2023 te Almere, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (te weten een bedrijfsauto van het merk Renault, type Master, gekentekend [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, het fietspad parallel aan de Wandellaan (terwijl dit fietspad met (een) bord(en) conform model G11 van bijlage 1 van het RVV 1990 was
aangeduid als verplicht fietspad), zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg, te weten dat fietspad werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, door terwijl dat voertuig niet voorzien was van werkende achteruitrijlichten en/of geluidssignalen en/of terwijl de achteruitrijcamera van dat voertuig was ingesteld op de stand ver af en/of
- een bijzondere manoeuvre uit te voeren, namelijk achteruit te rijden zonder overig verkeer voor te laten gaan en/of
- zijn aandacht niet voortdurend en/of niet voldoende bij de weg en/of het verkeer te houden en/of
- een overstekende voetganger, te weten [slachtoffer] niet voor te laten gaan en/of tegen die [slachtoffer] aan te rijden/te botsen,
waardoor die [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen.