In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, enkelvoudige kamer, op 3 november 2025, wordt het verzoek van verzoekster om veroordeling van verweerder in de proceskosten beoordeeld. Verzoekster, vertegenwoordigd door mr. S. Smeets, heeft haar beroep ingetrokken dat zij had ingesteld tegen de Dienst Toeslagen. Dit beroep was ingesteld omdat verzoekster van mening was dat verweerder niet tijdig had beslist op haar aanvraag van 14 maart 2023 voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder heeft op 2 mei 2025 gereageerd op het verzoek om veroordeling in de proceskosten.
De rechtbank heeft besloten dat een zitting niet nodig is en heeft de proceskosten toegewezen aan verzoekster. De rechtbank baseert zich op de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank heeft de proceskosten berekend op basis van de bijstand door de gemachtigde, wat resulteert in een vergoeding van € 453,50. Daarnaast is verweerder verplicht om het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden, zoals bepaald in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
De uitspraak is openbaar uitgesproken en een afschrift is verzonden aan de betrokken partijen. Verzoekster heeft de mogelijkheid om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens is met de uitspraak.