ECLI:NL:RBMNE:2025:5776

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
11117951
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs gebrekkig metselwerk gevel

In deze civiele zaak vordert eiseres vergoeding wegens gebrekkig metselwerk van een gevel die door gedaagde bij een klant is gemetseld. Na een tussenvonnis waarin eiseres werd opgedragen bewijs te leveren dat het slopen en opnieuw metselen de enige reële herstelmogelijkheid was, heeft eiseres stukken en getuigenverklaringen overgelegd.

De kantonrechter beoordeelde het bewijs, waaronder een rapport van een deskundige onderneming dat onvoldoende onderbouwd was, en verklaringen van getuigen die wel gebreken constateerden maar niet concreet konden aangeven dat het metselwerk niet aan de norm voldeed. Ook de verklaringen van gedaagde en diens zoon over herstel en het ontbreken van klachten werden meegewogen.

De rechter concludeerde dat eiseres niet is geslaagd in haar bewijsopdracht en wees haar vorderingen af. Daarnaast werd eiseres veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. In reconventie werd eiseres veroordeeld tot betaling van een factuur van gedaagde, exclusief buitengerechtelijke incassokosten die niet waren onderbouwd.

Uitkomst: De vorderingen van eiseres worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van gebrekkig metselwerk.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11117951 \ AC EXPL 24-1282
Vonnis van 5 november 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. J.H.M. Döbber,
tegen
[gedaagde] ,h.o.d.n.
[handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. G.W.L. den Haan.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 december 2024,
- het getuigenverhoor van 17 april 2025,
- de akte met producties 13-15 van de zijde van [eiseres] ,
- het getuigenverhoor van 2 oktober 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

in conventie
2.1.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter aan [eiseres] opgedragen te bewijzen dat de door [gedaagde] bij [A] gemetselde gevel zo gebrekkig was, dat het slopen en opnieuw metselen van de gevel de enige reële mogelijkheid was om de schade te herstellen. [eiseres] heeft daartoe stukken overgelegd en getuigen gehoord. Op verzoek van [gedaagde] zijn er daarna ook getuigen gehoord. De kantonrechter zal hieronder de bewijsmiddelen beoordelen.
Het rapport van [onderneming] en de toelichting daarop
2.2.
In het tussenvonnis is overwogen dat uit het rapport van [onderneming] niet blijkt hoe is vastgesteld dat het metselwerk niet aan de norm voldoet omdat op de gebruikte foto’s geen metingen te zien zijn. [eiseres] heeft daarna een e-mail overgelegd waarin [onderneming] schrijft dat er geen mogelijkheid was om de afwijkingen feitelijk met meetapparatuur vast te leggen omdat het metselwerk op het moment van het opmaken van het rapport al was vervangen. [onderneming] schrijft dat zij foto’s aangeleverd heeft gekregen van [eiseres] en schrijft verder ‘Van de foto’s is wel enigszins af te leiden dat de afwijkingen buiten de normen vielen. Als je bijvoorbeeld de dikte van de waterpas afzet tegen de scheefstand van het metselwerk is te concluderen dat het metselwerk niet correct is aangebracht’. Deze aanvulling maakt niet dat uit het rapport van [onderneming] nu wel blijkt dat het metselwerk niet aan de norm voldoet. Dat dat uit de foto’s wel lijkt te volgen is daarvoor onvoldoende.
Verklaringen van [B] en [C]
2.3.
[B] en [C] zijn respectievelijk voeger en timmerman. Beiden verklaren dat het metselwerk slecht was en dat zij er geen genoegen mee zouden hebben genomen. Maar, zij schrijven geen van beiden op welke punten het metselwerk niet voldeed, zodat ook op grond van deze verklaringen niet kan worden vastgesteld dat het metselwerk niet aan de norm voldeed.
De getuigen [A] en [D]
2.4.
[A] heeft verklaard dat de gevel op twee plaatsen bol stond, dat er stenen uitstaken en dat de voegen ongelijk waren en dat na de door [gedaagde] uitgevoerde herstelwerkzaamheden die gebreken niet hersteld waren. [A] verklaart verder dat [eiseres] en hij tot de conclusie kwamen dat de gevel opnieuw gemetseld moest worden, maar dat er nooit is gesproken over het inschakelen van een deskundige om het metselwerk te beoordelen. Ook [D] verklaart dat de gevel op meerdere plekken bol stond en dat de voegen op heel veel plekken ongelijk waren. Uit deze verklaringen is niet af te leiden dat het metselwerk niet voldeed aan de norm zoals die is weergegeven in het rapport van [onderneming] . Geen van beiden verklaart over de mate waarin de gevel bolstond of de voegen ongelijk waren. Daarnaast hebben [gedaagde] en diens zoon [E] verklaard dat er een aantal punten niet goed waren, maar dat die zijn opgelost en dat er nooit over is geklaagd dat de gevel bol zou zijn.
Conclusie
2.5.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] niet is geslaagd in haar bewijsopdracht. Dat betekent dat de vordering van [eiseres] wordt afgewezen.
Proceskosten
2.6.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- kosten getuigen
84,00
- salaris gemachtigde
1.900,50
(3,5 punten × € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.119,50
2.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
2.8.
In het tussenvonnis is al geoordeeld dat [eiseres] de laatste factuur van [gedaagde] moet betalen. Dat betekent dat de vordering van [gedaagde] wordt toegewezen, met uitzondering van de buitengerechtelijk incassokosten. [gedaagde] heeft niet onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.
Proceskosten
2.9.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 542,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x € 271,00).

3.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
3.1.
wijst de vordering van [eiseres] af,
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.119,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
3.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
3.4.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van € 4.757,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente met ingang van 6 maart 2023 totdat volledig is betaald,
3.5.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 542,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.6.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in haar afwezigheid in het openbaar uitgesproken door mr. D.C.P.M. Straver op 5 november 2025.