De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 27 januari 2025 de vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) opgelegd aan de veroordeelde bij vonnis van 11 januari 2020. De vordering was ingediend op 2 september 2024 en betrof de uitvoering van een maatregel die samenhing met een terbeschikkingstelling (tbs).
De verdediging stelde primair dat de vordering niet-ontvankelijk was wegens te late indiening, aangezien deze uiterlijk 30 dagen voor het einde van de tbs had moeten plaatsvinden. Subsidiair voerde de verdediging aan dat de maatregel niet passend was omdat de veroordeelde geen hoog recidiverisico zou hebben. De officier van justitie onderschreef het standpunt over de te late indiening en verzocht om niet-ontvankelijkheid.
De rechtbank oordeelde dat de vordering wel tijdig was ingediend omdat de tbs op 27 januari 2025 met een jaar was verlengd en dus niet op 11 januari 2025 was geëindigd. Hierdoor was het OM ontvankelijk. Desalniettemin wees de rechtbank de vordering af omdat de GVM niet ten uitvoer kan worden gelegd zolang de tbs niet is beëindigd. De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken.