Eiseres heeft op 10 mei 2024 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende compensatie. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van 52 weken een besluit genomen, waardoor eiseres op 14 mei 2025 verweerder in gebreke stelde. Na het verstrijken van de termijn heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van het besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en verklaart het beroep gegrond. Verweerder wordt opgedragen alsnog een besluit te nemen uiterlijk 4 juli 2026, rekening houdend met een nadere beslistermijn van 60 weken na de wettelijke termijn zoals eerder vastgesteld in een vergelijkbare zaak.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 50,- per dag dat verweerder te laat is, met een maximum van € 15.000,-. Omdat reeds 42 dagen zijn verstreken sinds de ingebrekestelling, wordt de dwangsom vastgesteld op € 1.442,-. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres (€ 453,50) en het betaalde griffierecht (€ 53,-).