Eiser heeft op 31 januari 2024 een aanvraag ingediend voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade. Verweerder heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist, waarop eiser op 13 maart 2025 verweerder in gebreke stelde en vervolgens op 26 mei 2025 beroep instelde tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en verklaart het beroep gegrond. Verweerder wordt opgedragen alsnog een besluit te nemen binnen de wettelijke termijn, die in dit geval uiterlijk 27 maart 2026 eindigt. Voor elke dag dat verweerder deze termijn overschrijdt, wordt een dwangsom van € 50,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, en tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht van € 53,-. Partijen hebben afgezien van een zitting, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en de uitspraak heeft gedaan op 7 oktober 2025.