ECLI:NL:RBMNE:2025:6016

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
25/348
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen over aanvraag kinderopvangtoeslag

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, enkelvoudige kamer, wordt het beroep van eiser tegen de Dienst Toeslagen behandeld. Eiser, woonachtig in België, heeft op 14 januari 2025 en 21 februari 2025 beroep ingesteld omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag van 6 april 2021 voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. De rechtbank constateert dat eiser twee gelijke beroepen heeft ingediend en besluit deze samen te behandelen. Op 11 maart 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend, waarin wordt gesteld dat eiser geen procesbelang meer heeft, aangezien op 6 maart 2025 een beschikking is genomen over de aanvraag van eiser. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang, omdat verweerder al aan het beroep tegemoet is gekomen door de beschikking te nemen. Desondanks wordt verweerder veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, en het griffierecht van € 53,-. De uitspraak is gedaan op 1 oktober 2025 door rechter M. van der Knijff, in aanwezigheid van griffier A.C. van de Biesebos.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/348 en UTR 25/1751

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] (België), eiser,

(gemachtigde: mr. P.W.E. Ros),
en

Dienst Toeslagen, verweerder,

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld op 14 januari 2025 dan wel 21 februari 2025, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 6 april 2021 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Voordat de beroepen niet tijdig beslissen verder worden behandeld, stelt de rechtbank vast dat eiser twee inhoudelijk gelijke beroepen niet tijdig beslissen heeft ingediend. De rechtbank zal de beroepen samen behandelen en uitgaan van de gegevens zoals opgenomen in het beroepschrift van 21 februari 2025.
Op 11 maart 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Hierin geeft verweerder aan dat eiser geen procesbelang meer heeft, omdat verweerder op 6 maart 2025 een beschikking heeft genomen over de aanvraag van eiser om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Het beroep niet tijdig beslissen moet volgens verweerder dan ook niet-ontvankelijk verklaard worden.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Procesbelang is het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat de rechtzoekende concreet met het beroep wil of kan bereiken. Dit gaat niet om de vraag of de rechtzoekende gelijk heeft. Het gaat erom dat de rechtzoekende een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat in de beroepsprocedure zou krijgen. De vraag of er procesbelang is, wordt daarom beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het beroep. De bestuursrechter doet geen uitspraken uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan. [2]
3. Verweerder heeft op 6 maart 2025 – dus nadat het beroep niet tijdig beslissen door eiser is ingediend bij de rechtbank – beslist op de aanvraag van eiser om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. De rechtbank stelt vast dat verweerder door het nemen van deze beschikking al aan het beroep niet tijdig beslissen van eiser tegemoet was gekomen. Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
Proceskosten en griffierecht
4. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser een vergoeding geeft voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.
5. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- aan hem moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van
A.C. van de Biesebos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396.