ECLI:NL:RBMNE:2025:6018
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Huurprijsindexering en verlenging huurovereenkomst kantoorruimte
In deze civiele zaak vordert eiser betaling van een hogere huurprijsindexering en stelt dat de huurovereenkomst met gedaagde is verlengd tot 31 juli 2026 onder voorwaarde van een beperkte huurprijsindexering. Gedaagde betwist deze verlenging.
De rechtbank beoordeelt de communicatie tussen partijen, waaronder e-mails en WhatsApp-berichten, en concludeert dat geen overeenstemming is bereikt over verlenging van de huurovereenkomst. Hoewel eiser een voorstel deed voor verlenging gekoppeld aan een lagere indexering, heeft gedaagde hier niet mee ingestemd en is de overeenkomst niet verlengd.
Subsidiair wordt de hogere huurprijsindexering van 14,5% over 2023 en 0,2% over 2024 toegewezen, omdat gedaagde niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de lagere indexering zonder verlenging. De gevorderde contractuele boete wordt afgewezen wegens onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Verder worden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen.
De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van €997,72 aan achterstallige huur, vermeerderd met wettelijke rente vanaf dagvaarding, en tot vergoeding van incassokosten en proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: De huurovereenkomst is niet verlengd; gedaagde moet de hogere huurprijsindexering betalen, maar de contractuele boete wordt afgewezen.