ECLI:NL:RBMNE:2025:6028

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
24/4993
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond werkgeversberoep tegen toekenning WIA-uitkering aan ex-werknemer

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van een werkgever tegen de toekenning van een WIA-uitkering aan een ex-werknemer die zich in augustus 2021 ziek meldde vanwege psychische klachten. De ex-werknemer was 104 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt, waarna het UWV de WIA-uitkering toekende. De werkgever betwistte deze toekenning en voerde onder meer aan dat de periode van arbeidsongeschiktheid niet aaneengesloten was en dat de eerste ziektedag onjuist was vastgesteld.

De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat de ex-werknemer gedurende 104 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt was voor zijn eigen functie, mede op basis van het rapport van de verzekeringsarts. Het argument van de werkgever dat de bedrijfsarts de werknemer in staat achtte tot re-integratieverplichtingen, weegt niet op tegen het oordeel van de verzekeringsarts en het voortschrijdend inzicht vanuit de gespecialiseerde GGZ.

Daarnaast is er geen reden om te twijfelen aan de vaststelling van de eerste ziektedag. De rechtbank benadrukt dat het op de weg van de werkgever ligt om tijdig en onderbouwd aan te tonen dat de werknemer op de datum van indiensttreding al arbeidsongeschikt was. Het enkele verwijzen naar een grillig ziekteverloop en eerdere diagnoses is onvoldoende.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de WIA-uitkering blijft toegekend en de werkgever geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van de werkgever tegen de toekenning van de WIA-uitkering aan de ex-werknemer wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4993

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.W. Stam),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde; P. Spoelstra).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [ex werknemer] uit [plaats 2]
(gemachtigde: mr. S. van Andel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan de ex-werknemer van eiseres. Eiseres is het niet eens met de toekenning van de WIA-uitkering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht een WIA-uitkering heeft toegekend. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De ex-werknemer, de heer [ex werknemer] , werkte als Inside Sales Hardware Specialist voor 40 uur per week bij eiseres. De ex-werknemer heeft zich op 19 augustus 2021 ziekgemeld vanwege psychische klachten. Hij is op 5 september 2022 op staande voet ontslagen. Vanwege dit ontslag op staande voet werd in eerste instantie door het Uwv een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 6 september 2022 niet uitbetaald. In bezwaar werd geconcludeerd dat ex-werknemer op medische gronden niet in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt. Hij kreeg alsnog ziekengeld per 6 september 2022.
3. De ex-werknemer heeft op 30 juni 2023 een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. De verzekeringsarts concludeert dat sprake is van geen benutbare mogelijkheden en dat ex-werknemer op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is. Met het besluit van 23 oktober 2023 wordt de WIA-uitkering toegekend.
4. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 22 maart 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het Uwv, en de gemachtigde van de ex-werknemer.
4.2.
Op de zitting van 9 september 2025 is ook het beroep van eiseres tegen de toekenning van een ZW-uitkering behandeld (zaaknummer UTR 24/6138).

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht per 15 september 2023 een WIA-uitkering heeft toegekend aan de ex-werknemer. Dat doet zij aan de hand van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden.
5.1.
De ex-werknemer heeft geen toestemming gegeven om dossierstukken die medische gegevens bevatten aan de ex-werkgever te verstrekken. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken om te voorkomen dat die gegevens via deze uitspraak alsnog in de openbaarheid worden gebracht.
Toetsingskader
6. Artikel 23 van Pro de Wet WIA bepaalt dat voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, een wachttijd van 104 weken geldt. Voor de wachttijd worden in aanmerking genomen de perioden waarover recht op ziekengeld bestaat op grond van de Ziektewet. Perioden van ziekte die elkaar met een tussenpoos van minder dan vier weken opvolgen worden daarbij samengeteld.
Is de ex-werknemer 104 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt geweest?
6.1.
Eiseres voert aan dat dat niet kan worden vastgesteld dat de ex-werknemer een periode van 104 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt is geweest. Eiseres wijst daartoe op het ‘medisch vacuüm’ in de periode maart 2022 tot en met september 2023. Eiseres wijst erop dat de bedrijfsarts de ex-werknemer gedurende de wachttijd in staat achtte om re-integratieverplichtingen na te leven.
6.2.
Het Uwv voert aan dat de ex-werknemer 104 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt voor zijn eigen functie is geweest en dat daarom de wachttijd volledig is doorlopen. Het Uwv wijst op het rapport van de verzekeringsarts van 10 juni 2024.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de ex-werknemer een periode van 104 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt is geweest voordat hij een WIA-uitkering toegekend heeft gekregen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 10 juni 2024 uitdrukkelijk de vraag beantwoord of de ex-werknemer arbeidsongeschikt was voor zijn eigen werk als Inside Sales Hardware Specialist in de periode augustus 2021 tot en met augustus 2023. Die vraag wordt bevestigend beantwoord, gezien zijn ziektebeeld en de kenmerken van het werk dat hij deed. De rechtbank kan deze motivering volgen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat op grond van de bevindingen van de bedrijfsarts zou moeten worden geconcludeerd dat eiser niet aaneengesloten arbeidsongeschikt voor zijn eigen functie is geweest. In de eerste plaats kan het al dan niet kunnen naleven van re-integratieverplichtingen niet worden gelijkgesteld met herstel voor werkzaamheden in de eigen functie. Daarnaast heeft de verzekeringsarts in het rapport van 13 januari 2025 in de ZW-procedure geconcludeerd dat eiser zijn re-integratieverplichtingen op medische gronden niet kon naleven op basis van voortschrijdend inzicht vanuit de gespecialiseerde GGZ. De bedrijfsarts is bij zijn beoordeling van dat voortschrijdend inzicht niet op de hoogte geweest, en kon dat ook niet zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is er twijfel gezaaid over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag?
7. Eiseres heeft in november 2024 het Uwv verzocht om een beoordeling arbeidsgeschiktheid bij aanvang dienstverband. Eiseres voert aan dat zij vanwege de diagnose van de ex-werknemer in 2017 en het grillig verloop van zijn ziektebeeld reden heeft om te twijfelen aan de eerste ziektedag. Zij stelt dat de weigering van het Uwv om een beoordeling arbeidsgeschiktheid bij begin dienstverband te doen in strijd is met beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de evenredigheid, rechtszekerheid en het fair play-beginsel.
7.1.
Het Uwv voert aan dat het Uwv uitgaat van de eerste ziektedag zoals die door eiseres is doorgegeven. Eiseres heeft niets ingebracht dat reden geeft tot nader onderzoek naar de eerste ziektedag.
7.2.
Gemachtigde van ex-werknemer voert aan dat het op de weg van eiseres ligt om nadere onderbouwing te geven als zij twijfelt aan de juistheid van de eerste ziektedag.
7.3.
Eiseres heeft deze beroepsgrond zowel in de ZW-procedure als de WIA-procedure opgeworpen. De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de vaststelling van de eerste ziektedag. Het Uwv mag bij de beoordeling van aanspraken op een ZW- of een WIA-uitkering in beginsel uitgaan van de door de werkgever opgegeven dag waarop de werknemer het werk niet heeft aangevangen of heeft gestaakt. [1] Als eiseres twijfelt aan de juistheid van de eerste ziektedag dan ligt het op de weg van eiseres om dit tijdig op te werpen, haar opvatting over de aanvang van de arbeidsongeschiktheid te onderbouwen en aannemelijk te maken dat de werknemer op de datum van indiensttreding al arbeidsongeschikt was. De rechtbank is van oordeel dat het enkele wijzen op een grillig ziekteverloop en een diagnose in 2017 daarvoor onvoldoende is. Het Uwv mocht uitgaan van de door eiseres opgegeven eerste ziektedag. Dat de weigering van het Uwv om een beoordeling uit te voeren in strijd zou zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur, is niet door eiseres onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht een WIA-uitkering heeft toegekend aan de ex-werknemer. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van N.B. Yalcinkaya, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Centrale Raad van Beroep 12 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1128, r.o. 4.1.