ECLI:NL:RBMNE:2025:6028
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M. Coenen
- Rechtspraak.nl
Ongegrond werkgeversberoep tegen toekenning WIA-uitkering aan ex-werknemer
Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van een werkgever tegen de toekenning van een WIA-uitkering aan een ex-werknemer die zich in augustus 2021 ziek meldde vanwege psychische klachten. De ex-werknemer was 104 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt, waarna het UWV de WIA-uitkering toekende. De werkgever betwistte deze toekenning en voerde onder meer aan dat de periode van arbeidsongeschiktheid niet aaneengesloten was en dat de eerste ziektedag onjuist was vastgesteld.
De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat de ex-werknemer gedurende 104 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt was voor zijn eigen functie, mede op basis van het rapport van de verzekeringsarts. Het argument van de werkgever dat de bedrijfsarts de werknemer in staat achtte tot re-integratieverplichtingen, weegt niet op tegen het oordeel van de verzekeringsarts en het voortschrijdend inzicht vanuit de gespecialiseerde GGZ.
Daarnaast is er geen reden om te twijfelen aan de vaststelling van de eerste ziektedag. De rechtbank benadrukt dat het op de weg van de werkgever ligt om tijdig en onderbouwd aan te tonen dat de werknemer op de datum van indiensttreding al arbeidsongeschikt was. Het enkele verwijzen naar een grillig ziekteverloop en eerdere diagnoses is onvoldoende.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de WIA-uitkering blijft toegekend en de werkgever geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever tegen de toekenning van de WIA-uitkering aan de ex-werknemer wordt ongegrond verklaard.