ECLI:NL:RBMNE:2025:6051

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
11705197
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige hinder door dakopbouw en schadevergoeding voor zonnepanelen

In deze zaak, die voor de Rechtbank Midden-Nederland is behandeld, zijn partijen buren van elkaar. De gedaagde heeft in 2020 een dakopbouw op zijn woning geplaatst, wat volgens de eiser leidt tot onrechtmatige hinder. De eiser stelt dat de dakopbouw de hoeveelheid zonlicht op zijn zonnepanelen vermindert en de luchtstroom rondom zijn schoorsteen beperkt, waardoor hij zijn open haard niet meer kan gebruiken. De eiser vordert schadevergoeding van de gedaagde. De kantonrechter oordeelt dat de gedaagde een vergoeding van de investeringsschade van de zonnepanelen moet betalen, berekend naar rato van het verschil in opbrengst. Voor de schoorsteen wordt geen schadevergoeding toegewezen, omdat daar geen onrechtmatige hinder is vastgesteld. De kantonrechter benadrukt dat de eigenaar van een erf in principe het recht heeft om te bouwen, maar dat dit recht niet mag leiden tot onrechtmatige hinder voor anderen. De kantonrechter concludeert dat de dakopbouw van de gedaagde onrechtmatige hinder veroorzaakt ten aanzien van de zonnepanelen van de eiser, en kent een schadevergoeding toe van € 2.930,32, inclusief kosten voor een zonnestudie. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11705197 \ UC EXPL 25-4321 BJvd/61169
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonend in [woonplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s.,
gemachtigde: mr. C. van der Mark.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen 1 t/m 15,
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 6,
- aanvullende productie 7 van [gedaagde sub 1] c.s.,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Op 30 september 2025 heeft [eiser] een stuk ingediend genaamd ‘Aantekeningen van eiser ter voorbereiding op de zitting’ met producties 16 t/m 25. De gemachtigde van [gedaagde sub 1] c.s. heeft daar op 30 september 2025 bezwaar tegen gemaakt, omdat het een verkapte conclusie van repliek zou zijn en verzocht de kantonrechter de stukken niet toe te laten. Namens de kantonrechter zijn partijen bericht dat [gedaagde sub 1] c.s. vóór de mondelinge behandeling in de gelegenheid wordt gesteld om schriftelijk op het nagekomen stuk van [eiser] te reageren, zodat tijdens de mondelinge behandeling alle ingekomen stukken met partijen kunnen worden besproken.
1.3.
Op 13 oktober 2025 heeft [gedaagde sub 1] c.s. zijn schriftelijke reactie ingediend. De mondelinge behandeling vond op 15 oktober 2025 plaats. De griffier heeft daarbij aantekeningen gemaakt.
1.4.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [gedaagde sub 1] c.s. heeft in 2020 een dakopbouw op zijn woning geplaatst. [eiser] stelt dat hij hierdoor onrechtmatig wordt gehinderd, omdat er minder zonlicht op zijn zonnepanelen valt en de luchtstroom rondom zijn schoorsteen wordt beperkt waardoor hij de open haard niet meer kan gebruiken. [eiser] vordert daarom onder andere schadevergoeding van [gedaagde sub 1] c.s.. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde sub 1] c.s. een vergoeding van de investeringsschade van de zonnepanelen naar rato van het verschil in opbrengst daarvan moet betalen aan schade. Ten aanzien van de schoorsteen hoeft [gedaagde sub 1] c.s. geen schadevergoeding te betalen, omdat daar geen sprake is van onrechtmatige hinder.

3.De beoordeling

Het juridisch kader bij onrechtmatige hinder
3.1.
Als uitgangspunt geldt dat een eigenaar (binnen de grenzen van de wet) in principe het recht heeft om op zijn perceel te bouwen. Er is een uitzondering op het recht van een eigenaar om te bouwen, namelijk als de bouwplannen niet voldoen aan de regels of het eigendomsrecht van anderen onterecht schenden. In deze zaak wordt niet gekeken naar de bestuursrechtelijke goedkeuring, omdat dat via een andere juridische weg moet worden gedaan.
3.2.
De wet bepaalt dat de eigenaar van een erf geen hinder mag veroorzaken voor andere eigenaren die als onrechtmatig kan worden bestempeld. [1] Of hinder onrechtmatig is, hangt af van hoe ernstig, langdurig en schadelijk de hinder is en van de specifieke omstandigheden van het geval, zoals de situatie ter plaatse. [2] Ook is van belang wat partijen over en weer van elkaar mochten verwachten.
3.3.
De kantonrechter merkt ten aanzien van het juridisch kader nog het volgende op. [eiser] beroept zich in deze zaak op jurisprudentie waarin is geoordeeld dat in een situatie van onrechtmatige hinder sprake is van onzorgvuldig en onrechtmatig handelen, als degene wiens handelen tot schade leidt bij de ander, niet bereid is om de helft van die schade te vergoeden. [3] De kantonrechter gaat hier niet in mee, omdat in de hogere rechtspraak een ander uitgangspunt is genomen, namelijk het hierboven geschetste juridisch kader bij onrechtmatige hinder.
De afvoer van de rookgassen van de open haard is de verantwoordelijkheid van [eiser]
3.4.
[eiser] heeft sinds de bouw van de woning in 1985 een doorvoer van het rookkanaal van zijn open haard. In de loop van september 2022 heeft [gedaagde sub 1] c.s. een dakopbouw op hun woning geplaatst. Voor de dakopbouw is een omgevingsvergunning afgegeven. [eiser] stelt dat hij sinds de dakopbouw zijn open haard niet meer kan gebruiken, omdat de luchtstroom rondom de schoorsteen onvoldoende is. Daardoor kunnen de rookgassen onvoldoende worden afgevoerd en dat zorgt voor een gevaarlijke situatie in zijn huis. Volgens [eiser] moet de schoorsteen worden opgehoogd naar een hoogte net boven de opbouw van [gedaagde sub 1] c.s. om weer gebruik te kunnen maken van de open haard. De kosten hiervoor, een bedrag van € 1.621,40 vordert [eiser] in deze procedure van [gedaagde sub 1] c.s..
3.5.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] niet mocht verwachten dat hij te allen tijde ongestoord zijn rookgassen zou kunnen doen blijven verspreiden zoals hij sinds de bouw van de woning heeft gedaan. Bij de bouw van de woning was het namelijk al bekend dat een dakopbouw volgens het omgevingsplan tot de mogelijkheden behoorde. Er bestond dus altijd een kans dat [eiser] een ander rookkanaal zou moeten aanleggen. Het recht van de buren om te bouwen bestaat naast het recht van [eiser] om een open haard te hebben. De dakopbouw van de buren levert ten aanzien van de schoorsteenpijp van [eiser] dan ook geen onrechtmatige hinder op. Naar het oordeel van de kantonrechter is het niet aan [gedaagde sub 1] c.s. om de kosten voor de aanpassing van het rookkanaal voor hun rekening te nemen. Die aanpassing hoort namelijk bij degene die de open haard heeft. [eiser] moet ervoor zorgen dat de rookgassen op een voldoende veilige wijze worden afgevoerd, ook als dat betekent dat het rookkanaal moet worden aangepast na veranderingen die rechtsgeldig in de omgeving hebben plaatsgevonden. Deze vordering van [eiser] zal daarom worden afgewezen.
[gedaagde sub 1] c.s. moet meewerken aan de realisatie van de aanpassing van het rookkanaal
3.6.
[eiser] heeft een schoorsteenbedrijf laten kijken naar de aanpassing van het rookkanaal. Gebleken is dat het noodzakelijk is om een stabilisering aan te brengen aan de dakopbouw van [gedaagde sub 1] c.s. om de aangepaste schoorsteenpijp aan vast te maken. [eiser] vordert dat [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld om de stabilisering van de aan te brengen schoorsteenpijp aan de dakopbouw toe te staan, onder last van een dwangsom voor het geval [gedaagde sub 1] c.s. dit zou weigeren.
3.7.
De kantonrechter is van oordeel dat van [gedaagde sub 1] c.s. mag worden verwacht dat zij meewerken aan een oplossing om een hoger rookkanaal te realiseren. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [gedaagde sub 1] c.s. aangegeven dat er geen bezwaar is tegen het vastmaken van de pijp aan de dakopbouw, zolang er geen risico op lekkages of andere nadelige gevolgen aan zitten. Hieruit blijkt de bereidheid van [gedaagde sub 1] c.s. om mee te werken aan het mogelijk maken van een aangepast rookkanaal. Bij deze vordering heeft [eiser] dus geen belang. Daarom zal ook deze vordering worden afgewezen.
De dakopbouw van [gedaagde sub 1] c.s. veroorzaakt onrechtmatige hinder ten aanzien van de zonnepanelen van [eiser]
3.8.
[eiser] stelt verder dat er door de dakopbouw van [gedaagde sub 1] c.s. aanzienlijk minder zonlicht op zijn zonnepanelen valt. De woning van [eiser] heeft een plat dak. Voordat [gedaagde sub 1] c.s. de dakopbouw liet plaatsen lagen de daken van de woningen van [eiser] en [gedaagde sub 1] c.s. op gelijke hoogte. Na de dakopbouw van [gedaagde sub 1] c.s. valt er dus vaker en meer schaduw op de zonnepanelen van [eiser] . [eiser] heeft het bedrijf [onderneming] onderzoek laten doen naar het effect van de dakopbouw op de bezonning van zijn zonnepanelen. Volgens dat onderzoek ligt het totaalverlies aan bezonning tussen de 41% en 100%, afhankelijk van de tijd in het jaar en het aantal zonne-uren per dag. Gemiddeld gaat het om een verlies van 65%.
3.9.
[eiser] vordert daarom betaling van de inkomstenderving van de zonnepanelen. Volgens [eiser] is het realistisch dat de kilowattuur prijs de komende jaren sterk zal toenemen. Daarom moet er volgens hem worden gerekend met een kilowattuur prijs van € 0,40. Primair vordert [eiser] betaling van € 13.096,80 (gebaseerd op een gemiddelde kWh-prijs van € 0,40) en subsidiair € 9.822,60 (gebaseerd op een gemiddelde kWh-prijs van € 0,30).
3.10.
De kantonrechter is van oordeel dat er ten aanzien van de zonnepanelen sprake is van onrechtmatige hinder door de dakopbouw van [gedaagde sub 1] c.s.. Hierbij speelt een rol dat de zonnepanelen van [eiser] er al lagen op het moment dat de dakopbouw door [gedaagde sub 1] c.s. is gerealiseerd. Bovendien staat vast dat er een aanzienlijk rendementsverlies is en de hinder naar verwachting blijvend is (aangezien de dakopbouw niet zal worden weggehaald). Ook zijn er onvoldoende aanknopingspunten dat [eiser] op de hoogte was van de bouwplannen op het moment dat hij de investering in de zonnepanelen deed. Het ligt voor de hand dat als [eiser] op de hoogte was van de bouwplannen, hij deze investering dan op een andere manier, of geheel niet had gedaan. Gebleken is dat de investering niet volledig nutteloos is geweest, maar wel aanzienlijk minder nuttig dan die zou zijn geweest als de dakopbouw niet gerealiseerd was.
3.11.
Aan de andere kant speelt ook mee dat [gedaagde sub 1] c.s. het recht heeft om een dakopbouw te realiseren en dat [eiser] niet van [gedaagde sub 1] c.s. mag verlangen om geheel niet te bouwen. Dat vraagt [eiser] nu in feite wel, aangezien hij de volledige opbrengstderving van de zonnepanelen vordert. Dat komt erop neer dat [gedaagde sub 1] c.s. niet zou kunnen bouwen zonder een volledige vergoeding van de schade die [eiser] daardoor zou lijden. Dat is een te grote beperking van de eigendomsvrijheid van [gedaagde sub 1] c.s..
[gedaagde sub 1] c.s. moet de investeringsschade die [eiser] heeft geleden ten aanzien van de zonnepanelen betalen
3.12.
[gedaagde sub 1] c.s. betwist, zonder dat deskundig te onderbouwen, dat de zonnestudie een representatieve weergave van het rendementsverlies geeft, maar de kantonrechter gaat uit van de deskundigheid van [onderneming] en dus van de juistheid van de berekening. De kantonrechter is van oordeel dat een passende schadevergoeding ten aanzien van de zonnepanelen een vergoeding van de investeringsschade naar rato van het verschil in opbrengst is. [eiser] heeft de panelen aangeschaft voor € 3.744,95 euro, terwijl het verschil in opbrengst nu gemiddeld 65% is. Dat betekent dat de schadevergoeding die [gedaagde sub 1] c.s. aan [eiser] moet betalen wordt vastgesteld op € 3.744,95 x 0,65 = € 2.434,22.
[gedaagde sub 1] c.s. moet de kosten van het onderzoek aan [eiser] betalen
3.13.
[eiser] vordert ook betaling van de gemaakte kosten voor de zonnestudie door [onderneming] van € 496,10. Deze kosten zijn redelijke kosten om de schade en aansprakelijkheid vast te stellen en komen op grond van de wet voor vergoeding in aanmerking. [4] De kantonrechter wijst deze kosten toe.
Conclusie
3.14.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- investeringsschade zonnepanelen
2.434,22
+
- kosten zonnestudie
496,10
Totaal
2.930,32
De proceskosten worden gecompenseerd
3.15.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.930,32,
4.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in haar afwezigheid het openbaar uitgesproken door mr. J.G. Nicholson op 12 november 2025.

Voetnoten

1.Artikel 5:37 en 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.HR 3 mei 1991,
3.Rb. Gelderland 7 juni 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:3636.
4.Artikel 6:96 lid 2 sub b BW.